Uitspraak RvS i.z. aanleg Tweede
Maasvlakte 26-01-2005
Zaaknummer:
200307350/1
Publicatie datum:
woensdag 26 januari 2005
Tegen:
de
Ministerraad, te dezen vertegenwoordigd door de Minister van Verkeer en
Waterstaat
Proceduresoort:
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied:
Kamer 1 - RO - Overige
200307350/1.
Datum uitspraak: 26 januari 2005
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
1. de vereniging "Bewonersvereniging Vlinderstrik Rodenrijs", gevestigd te
Berkel en Rodenrijs, en anderen,
2. [appellante sub 2], gevestigd te [plaats],
3. de vereniging "Westelijke Land- en Tuinbouw Organisatie", gevestigd te
Haarlem,
4. de vereniging "Nederlandse Vissersbond", gevestigd te Emmeloord, en andere,
5. [appellante sub 5], wonend te [woonplaats],
6. [appellante sub 6] gevestigd te [plaats], en anderen,
7. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Shell Nederland
Raffinaderij B.V.", gevestigd te Rotterdam,
8. de stichting "Stichting Natuur- en Milieuwacht", gevestigd te Berkel en
Rodenrijs,
9. de vereniging "Vereniging Verontruste Burgers van Voorne", gevestigd te
Oostvoorne,
10. het college van burgemeester en wethouders van Westvoorne,
11. de vereniging “Vereniging voor Natuur- en Milieubescherming Noordrand
Rotterdam”, gevestigd te Rotterdam,
12. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid “Perpetuem Progress
International B.V.”, gevestigd te Hattem,
13. [appellant sub 13], wonend te [woonplaats],
appellanten,
en
de Ministerraad, te dezen vertegenwoordigd door
de Minister van Verkeer en Waterstaat,
verweerder.
1. Procesverloop
De Tweede Kamer der Staten-Generaal heeft in haar vergadering van 25 april 2002
ingestemd met het kabinetsstandpunt inzake de planologische kernbeslissing-plus
"Project Mainportontwikkeling Rotterdam". De Eerste Kamer der Staten-Generaal
heeft het kabinetsstandpunt niet binnen vier weken behandeld, zodat zij geacht
wordt daarmee te hebben ingestemd.
De tekst van de planologische kernbeslissing-plus zoals deze luidt na de
instemming van de Tweede en Eerste Kamer der Staten-Generaal is opgenomen in het
op 26 september 2003 vastgestelde deel 4 van de planologische
kernbeslissing-plus "Project Mainportontwikkeling Rotterdam" (hierna: pkb).
Tegen dit besluit hebben appellanten beroep ingesteld.
Bij brief van 9 maart 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening
heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 16 juli 2004 (hierna: het
deskundigenbericht). Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.
Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van de stichting
"Stichting Natuur- en Milieuwacht", de vereniging "Vereniging Verontruste
Burgers van Voorne" en verweerder. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 oktober 2004, waar
appellanten in persoon zijn verschenen en/of zich hebben doen vertegenwoordigen.
Ook verweerder heeft zich daar doen vertegenwoordigen. De besloten vennootschap
met beperkte aansprakelijkheid "Shell Nederland Raffinaderij B.V.", het college
van burgemeester en wethouders van Westvoorne en [appellante sub 2] zijn niet
verschenen.
2. Overwegingen
Overgangsrecht
2.1. Op 1 februari 2004 is in werking getreden de Wet tot wijziging van de Wet
op de Ruimtelijke Ordening in verband met de invoering van een
rijksprojectenprocedure van 20 november 2003 (Stb. 519). Bij deze wet is onder
meer artikel 56, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO)
gewijzigd.
Nu het ontwerp van de pkb ter inzage is gelegd vóór 1 februari 2004 volgt uit
artikel V van deze wet dat op dit geschil artikel 56, eerste lid, van de WRO,
zoals dat voor dit tijdstip luidde, van toepassing is.
Planbeschrijving
2.2. Met de pkb is beoogd ruimtelijke voorwaarden te scheppen voor het
verwezenlijken van de volgende dubbeldoelstelling: versterking van de positie
van de Rotterdamse haven en de daaraan functioneel verbonden plaatsen (de
mainport Rotterdam) en verbetering van de kwaliteit van de leefomgeving in
Rijnmond.
Hiertoe zijn drie deelprojecten benoemd die tezamen het Project
Mainportontwikkeling Rotterdam (hierna ook: PMR) vormen:
1. Bestaand Rotterdams Gebied (hierna ook: BRG): een serie projecten om het
bestaande havengebied beter te benutten en de kwaliteit van de leefomgeving te
verbeteren;
2. Landaanwinning: uitbreiden van de Rotterdamse haven met een landaanwinning
ten behoeve van haven- en industrieterrein van maximaal 1.000 hectare netto (de
zogenoemde Tweede Maasvlakte) en maatregelen om schade aan beschermde natuur te
compenseren;
3. 750 hectare natuur- en recreatiegebied: ontwikkeling van nieuwe natuur- en
recreatiegebieden op Midden-IJsselmonde en ten noorden van Rotterdam.
Bevoegdheid van de Afdeling
2.3. Ingevolge artikel 2a, eerste lid, van de WRO stelt de Ministerraad voor
bepaalde aspecten van het nationale ruimtelijke beleid plannen vast. Deze
plannen kunnen bestaan uit structuurschetsen, structuurschema's of nota's, die
van belang zijn voor het nationaal ruimtelijk beleid, zoals nader bepaald bij
algemene maatregel van bestuur. Indien een onderdeel van een zodanig plan een
concrete beleidsbeslissing is, wordt die beslissing bij de vaststelling van
andere plannen op grond van deze wet in acht genomen.
Ingevolge artikel 39 van de WRO bevat een planologische kernbeslissing ten
behoeve van een groot project van nationaal belang een of meer concrete
beleidsbeslissingen. Bij de nadere besluitvorming over zodanige projecten worden
die beleidsbeslissingen in acht genomen.
2.3.1. Ingevolge artikel 54, tweede lid, aanhef en onder a, van de WRO, voor
zover hier van belang, gelezen in samenhang met artikel 56, eerste lid, van de
WRO kan door een ieder beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad
van State worden ingesteld tegen een concrete beleidsbeslissing, een herziening
of een intrekking daarvan, opgenomen in een planologische kernbeslissing.
2.3.2. Ingevolge artikel 1 van de WRO wordt onder een concrete beleidsbeslissing
verstaan een als zodanig door het bestuursorgaan aangegeven besluit in een
planologische kernbeslissing, een streekplan of een regionaal structuurplan.
2.3.3. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van het Besluit op de ruimtelijke
ordening 1985 wordt in een planologische kernbeslissing een concrete
beleidsbeslissing als zodanig in de tekst of op de kaart benoemd en herkenbaar
aangegeven.
2.3.4. Uit deze bepalingen volgt dat de Afdeling met betrekking tot een
vastgestelde of herziene planologische kernbeslissing slechts bevoegd is te
oordelen over beroepen die zijn gericht tegen daarin vervatte concrete
beleidsbeslissingen. Indien een beroep is gericht tegen een niet door het
bestuursorgaan als concrete beleidsbeslissing aangegeven onderdeel van een
planologische kernbeslissing, is het niet gericht tegen een concrete
beleidsbeslissing in de zin van artikel 1 van de WRO; de Afdeling is onbevoegd
van zo’n beroep kennis te nemen.
2.3.5. Indien een beroep ertoe strekt dat een beleidsuitspraak van het
bestuursorgaan als een concrete beleidsbeslissing in een planologische
kernbeslissing had moeten worden opgenomen, moet dit beroep worden opgevat als
een beroep tegen een weigering om een concrete beleidsbeslissing te nemen. Zoals
de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 11 december 2002, no.
200100097/1 (AB 2003, 65), acht zij zich, gelet op de ontstaansgeschiedenis
van artikel 1 van de WRO, onbevoegd van zo’n beroep kennis te nemen.
Reikwijdte toetsing door de Afdeling
2.4. Uit de ontstaansgeschiedenis van artikel 1 van de WRO (Kamerstukken II,
1996/1997, 25 311, nr. 3, p. 13-15 en nr. 6, p. 43-45) blijkt dat de wetgever de
bevoegdheid om te beslissen welke beleidsuitspraken als een concrete
beleidsbeslissing moeten worden gezien, bewust uitsluitend aan het
bestuursorgaan dat het plan vaststelt, heeft willen toekennen.
Aangezien in artikel 2a, eerste lid, en artikel 39 van de WRO is bepaald dat een
concrete beleidsbeslissing in acht dient te worden genomen bij respectievelijk
de vaststelling van andere plannen op grond van de WRO en de nadere
besluitvorming over grote projecten van nationaal belang, en ingevolge artikel
24 van de WRO geen zienswijzen tegen het ontwerpbestemmingsplan kunnen worden
ingediend, voor zover het ontwerp van een bestemmingsplan zijn grondslag vindt
in een concrete beleidsbeslissing, is in het kader van de toetsing door de
Afdeling met name van belang of de rechtsgevolgen van de desbetreffende concrete
beleidsbeslissing duidelijk zijn.
Dit stelsel van besluitvorming en rechtsbescherming brengt mee, dat indien in
een concrete beleidsbeslissing een definitieve planologische keuze met
betrekking tot de bestemming van een gebied is neergelegd, het onderzoek dat aan
die beslissing is voorafgegaan, afhankelijk van aard en strekking van de
concrete beleidsbeslissing, dienovereenkomstig volledig dient te zijn en
gemotiveerd inzicht dient te bieden in de mogelijkheden tot verwezenlijking van
de bestemming. Zo dient een concrete beleidsbeslissing waarvan de
bestemmingsplanwetgever op grond van de wet niet mag afwijken op dezelfde wijze
gemotiveerd te worden als een bestemmingsplan. Een dienovereenkomstige eis geldt
met het oog op de nadere besluitvorming als bedoeld in artikel 39 van de WRO.
Bij de vaststelling van de concrete beleidsbeslissing dient dan ook een
volledige beoordeling te worden verricht in die zin dat voldoende duidelijk is
dat er geen belemmeringen zijn die in de weg staan aan de nadere invulling van
het gebied bij een bestemmingsplan en de nadere besluitvorming als bedoeld in
artikel 39 van de WRO.
Dit betekent overigens niet dat, mits wordt voldaan aan de minimaal aan een
concrete beleidsbeslissing te stellen eisen, in een concrete beleidsbeslissing
niet kan worden volstaan met een ruim ruimtebeslag voor een bepaalde activiteit
of een globale invulling. In dat geval zal binnen de grenzen van het in de
concrete beleidsbeslissing opgenomen ruimtebeslag naar nadere invulling worden
gezocht. In geval de activiteit als zodanig in de concrete beleidsbeslissing is
bepaald, kan deze bij de vervolgbesluitvorming niet meer ten principale ter
discussie worden gesteld. Wat betreft de te maken keuze bij de nadere invulling
kan artikel 24 van de WRO echter niet worden tegengeworpen zulks ondanks het
feit dat de activiteit zich binnen het vastgestelde ruimtebeslag bevindt.
Concrete beleidsbeslissingen
2.5. Ten aanzien van het deelproject Bestaand Rotterdams Gebied zijn in de pkb
geen concrete beleidsbeslissingen opgenomen.
2.5.1. Ten aanzien van het deelproject Landaanwinning zijn de volgende concrete
beleidsbeslissingen opgenomen:
1. “Concrete beleidsbeslissing: het beoogde resultaat van het deelproject
Landaanwinning is een nieuw haven- en industrieterrein in de Noordzee van ten
hoogste 1000 hectare netto uitgeefbaar haven- en industrieterrein, aansluitend
op het bestaande havengebied (de Maasvlakte). Een landaanwinning ten behoeve van
haven- en industrieterrein wordt mogelijk gemaakt in het gebied dat begrensd
wordt door de Euro-Maasgeul in het noorden, de verlengde demarcatielijn in het
zuiden en in het westen door de lijnen zoals aangeduid op figuur 3.1.”.
2. “Concrete beleidsbeslissing: de huidige demarcatielijn zal – conform het
vigerend Streekplan Rijnmond – in west-zuidwestelijke richting worden verlengd
(zie figuur 3.1), hetgeen betekent dat in de Haringvlietmond direct ten zuiden
van deze lijn geen landaanwinning voor een haven- en industrieterrein is
toegestaan.”.
3. “Concrete beleidsbeslissing: in figuur 3.2 is het gebied aangegeven waar het
voor de landaanwinning benodigde ophoogzand zal worden gewonnen, daarbij in
aanmerking nemende dat ook zand mag worden benut, dat als bijproduct vrijkomt
bij werken ter waarborging van de toegankelijkheid van de Rotterdamse haven,
zoals verbreding en verdieping van de vaargeul of bij de eventuele winning van
beton- en metselzand (waarvoor een aparte procedure geldt). De zeewaartse
begrenzing van het gebied voor zandwinning wordt gevormd door een straal van 30
km vanuit het midden van de zuidrand van de referentie-ontwerpen voor een
landaanwinning. De landwaartse begrenzing wordt gevormd door de 2 km lijn
zeewaarts van de doorgaande -20 m NAP dieptelijn. Delen van het zoekgebied
worden van zandwinning uitgesloten als uit het MER zandwinning blijkt dat de
zandwinning in deze deelgebieden significante negatieve effecten kan hebben op
beschermde habitats en/of beschermde soorten en/of op Natura 2000 gebieden.”.
4. “Concrete beleidsbeslissing: voor de compensatie van het verlies aan
zeenatuur wordt een zeereservaat mogelijk gemaakt van circa 31250 hectare voor
de Haringvlietmond in de vorm van een beheersplan in het kader van artikel 6.1
van de Habitatrichtlijn. Als uit onderzoek en monitoring blijkt dat het
reservaat minder groot behoeft te zijn, zal de te realiseren omvang worden
bijgesteld. In het zeereservaat worden gebruiksfuncties, die substantieel
negatieve effecten hebben op mariene natuurwaarden, verboden of beperkt en wordt
een aantal actieve beheersmaatregelen getroffen. Het zeereservaat wordt mogelijk
gemaakt op de locatie in de Voordelta als aangegeven in figuur 3.3.”.
5. “Concrete beleidsbeslissing: voor de compensatie van de effecten van
landaanwinning op open droog duin worden voor de Delflandse kust - aansluitend
aan de zeekant van het bestaande duingebied - duinen met strand mogelijk gemaakt
met een omvang van 100 ha. Deze duinen worden mogelijk gemaakt op de locatie
zoals aangegeven op figuur 3.4. In combinatie met het open droog duin worden ook
natte duinvalleien mogelijk gemaakt.”.
6. “Concrete beleidsbeslissing: voor de compensatie van het kwaliteitsverlies
van de zeereep op Voorne en Goeree wordt nieuwe zeereep mogelijk gemaakt. Bij de
Brouwersdam wordt een zeereep met een omvang van 15 ha mogelijk gemaakt op de
noordelijke locatie, aangegeven in figuur 3.5. Op de kust van de landaanwinning
wordt een zeereep met een omvang van 8 ha mogelijk gemaakt.”.
2.5.2. Ten aanzien van het deelproject 750 hectare natuur- en recreatiegebied
zijn de volgende concrete beleidsbeslissingen opgenomen:
1. “Concrete beleidsbeslissing: in het gebied Midden-IJsselmonde wordt binnen de
begrenzing die is aangegeven op figuur 3.6 een openbaar toegankelijk natuur- en
recreatiegebied gerealiseerd met een oppervlak van circa 600 hectare. Het gebied
ten noorden van de Essendijk zal de hoofdfunctie openlucht recreatie met
natuurwaarden worden gegeven. Het gebied ten zuiden van de Essendijk gelegen zal
de hoofdfunctie hoogwaardige natuur met recreatief medegebruik krijgen. Bij de
transformatie van Midden IJsselmonde zal ruimte blijven voor agrarische
bedrijvigheid en zullen de bestaande landschappelijke en cultuurhistorische
elementen zoveel mogelijk behouden blijven.”.
2. “Concrete beleidsbeslissing: zoals op figuur 3.8 staat aangegeven zal in de
Schiebroekse- en de Zuidpolder, een openbaar toegankelijk natuur- en
recreatiegebied met een oppervlakte van circa 100 hectare worden gerealiseerd.
In de Schiezone wordt overeenkomstig figuur 3.8 circa 50 hectare openbaar
toegankelijk natuur- en recreatiegebied gerealiseerd.”.
Toetsing van de bevoegdheid
2.6. [appellant sub 13] heeft in zijn beroepschrift en in zijn aanvulling hierop
niet aangegeven tegen welke concrete beleidsbeslissing(en) hij opkomt. Ter
zitting heeft hij desgevraagd toegelicht dat zijn beroep is gericht tegen de
dubbeldoelstelling van het PMR.
Aangezien de dubbeldoelstelling als zodanig geen concrete beleidsbeslissing is,
is de Afdeling onbevoegd van het beroep van . [appellant sub 13] kennis te
nemen.
2.7. De beroepen van de vereniging “Vereniging Verontruste Burgers van Voorne”
(hierna: Vereniging Verontruste Burgers) en het college van burgemeester en
wethouders van Westvoorne zijn mede gericht tegen het niet opnemen van een
concrete beleidsbeslissing voor het deelproject Bestaand Rotterdams Gebied.
Volgens de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid “Perpetuem
Progress International B.V.” (hierna: Perpetuem Progress International) dient in
een concrete beleidsbeslissing te worden bepaald dat de landaanwinning alleen
bedoeld is voor deepsea gebonden activiteiten. Volgens de Vereniging Verontruste
Burgers en het college van burgemeester en wethouders van Westvoorne dient in
een concrete beleidsbeslissing een afwegingskader te worden opgenomen, waaraan
de vestiging van andere activiteiten dan deepsea gebonden activiteiten ter
plaatse van de landaanwinning wordt getoetst.
Het beroep van de Vereniging Verontruste Burgers is er voorts op gericht de
beslissing van wezenlijk belang inzake de compensatie van de negatieve effecten
voor de beschermde natuurwaarden ten gevolge van de landaanwinning te wijzigen
in een concrete beleidsbeslissing. Ook is deze vereniging van mening dat, nu
voor de uitwerking veelvuldig wordt verwezen naar het projectenspoor, in de pkb
een concrete beleidsbeslissing over de inspraak ten aanzien van die uitwerking
opgenomen dient te worden.
Het beroep van het college van burgemeester en wethouders van Westvoorne is er
voorts op gericht dat in de concrete beleidsbeslissing inzake het zeereservaat
wordt opgenomen dat de recreatief toeristische functie van het badstrand van
Rockanje wordt gerespecteerd en gegarandeerd. Verder is dit college van mening
dat in de concrete beleidsbeslissingen die zien op te treffen compenserende
maatregelen, moet worden opgenomen dat compensatie van niet-mitigeerbare
significante effecten moet plaatsvinden in het gebied waar deze effecten
optreden. Ook Perpetuem Progress International is, gelet op de concrete
beleidsbeslissingen inzake de aanleg van duinen met strand voor de Delflandse
kust en het mogelijk maken van nieuwe zeereep, van mening dat ten aanzien van
gebieden waar de leefbaarheid wordt aangetast, compenserende maatregelen dienen
te worden opgenomen in een concrete beleidsbeslissing. Op dienovereenkomstige
wijze stellen deze beide appellanten dat verweerder in de concrete
beleidsbeslissingen ten aanzien van het deelproject 750 hectare natuur- en
recreatiegebied ten onrechte geen maatregelen heeft opgenomen die de
leefbaarheid op Voorne zullen verbeteren.
2.7.1. De vorenstaande beroepen moeten in zoverre worden opgevat als beroepen
tegen een weigering om een concrete beleidsbeslissing te nemen dan wel aan te
vullen. De Afdeling is in zoverre onbevoegd kennis te nemen van deze beroepen.
2.7.2. Voor zover de beroepen van het college van burgemeester en wethouders van
Westvoorne en Perpetuem Progress International mede aldus dienen te worden
verstaan dat onvoldoende is voorzien in compensatiemaatregelen voor de
landaanwinning, zullen deze in dat kader worden behandeld. Daarbij overweegt de
Afdeling voorts dat voor een behandeling van deze beroepsgronden in het kader
van de concrete beleidsbeslissingen voor het deelproject 750 hectare natuur- en
recreatiegebied geen plaats is. De in dat kader te nemen maatregelen zijn er
onder meer voor bedoeld om de kwaliteit van de leefomgeving in de regio Rijnmond
te verbeteren. Daarnaast is in het bestuurlijke stakeholdersoverleg een akkoord
bereikt over extra leefbaarheidsmaatregelen voor Voorne en Goeree. Deze
maatregelen zijn opgenomen in het deelproject Bestaand Rotterdams Gebied. De
leefbaarheidsmaatregelen zijn losgekoppeld van de concrete beleidsbeslissingen
ten aanzien van de landaanwinning. In het bijzonder is het deelproject 750
hectare natuur- en recreatiegebied niet bedoeld als compensatie voor de
natuurwaarden die door de landaanwinning verloren gaan.
Formele bezwaren
2.8. De vereniging “Nederlandse Vissersbond” en andere (hierna: de Vissersbond
en andere) komen in beroep op tegen de concrete beleidsbeslissingen inzake de
landaanwinning, de zandwinning en het zeereservaat. Zij stellen allereerst dat
in strijd met artikel 2a, eerste lid, van de WRO de tijdsduur niet in de pkb is
vermeld.
2.8.1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de looptijd van de pkb is
beperkt tot tien jaar. Hiertoe wijst hij op het gestelde in de paragrafen 3.3.1
en 3.4.4 van de pkb, waaruit blijkt dat in ieder geval tien jaar na het van
kracht worden van de pkb een evaluatie zal plaatsvinden wat betreft de
landaanwinning en dat ernaar gestreefd wordt de aanleg van 750 hectare natuur-
en recreatiegebied binnen tien jaar te verwezenlijken.
2.8.2. Ingevolge artikel 2a, eerste lid, van de WRO wordt in een pkb vermeld
voor welke tijdsduur deze geldt.
Uit de wetsgeschiedenis (TK 1977-1978, 14 889, nr. 3, p. 34) blijkt omtrent het
verstrijken van de geldingsduur van de pkb het volgende: "De planologische
kernbeslissing is, zoals eerder gezegd, een planologische maatregel waarin het
beleid voor lange termijn is neergelegd. Het in het besluit genoemde tijdvak
moet aangemerkt worden als een raming van de termijn, waarna de beslissing
herbezinning zal behoeven.
Dit houdt geenszins in dat na verloop van dat tijdvak het beleid als zodanig is
verlaten en als achterhaald kan worden beschouwd, doch slechts dat het
rechtsgevolg van de planologische kernbeslissing - het kunnen geven van een op
die beslissing gebaseerde aanwijzing waartegen geen beroep open staat -
vervallen is.".
Het belang van het vermelden van de tijdsduur van de pkb ligt naar het oordeel
van de Afdeling voor het thans geldende recht in het verval van de
rechtsgevolgen die zijn verbonden aan de in de pkb opgenomen concrete
beleidsbeslissing(en). Over de tijdsduur zal daarom geen onduidelijkheid mogen
bestaan.
2.8.3. Uit paragraaf 3.3.1 van de pkb blijkt dat een tussentijdse evaluatie van
het deelproject Landaanwinning wenselijk wordt geacht. Deze evaluatie vindt,
aldus deze paragraaf, plaats na de aanleg van ongeveer 500 hectare (land) of
tien jaar na het van kracht worden van de pkb conform de gebruikelijke
herzienings- c.q. verlengingstermijn van de pkb. Wat betreft het deelproject 750
hectare natuur- en recreatiegebied is volgens paragraaf 3.4.4 voorzien in een
streeftermijn van tien jaar voor de grondverwerving en inrichting van dit
gebied.
Nog daargelaten dat aan deze passages geen betekenis is toegekend voor de gehele
pkb, overweegt de Afdeling dat uit de passages niet (eenduidig) de tijdsduur van
de pkb, als bedoeld in artikel 2a, eerste lid, van de WRO, volgt. Ook anderszins
is in de pkb geen tijdsduur vermeld als bedoeld in voornoemd artikellid.
Hieruit volgt dat verweerder op dit punt heeft gehandeld in strijd met artikel
2a, eerste lid, van de WRO en de concrete beleidsbeslissingen inzake de
landaanwinning, de zandwinning en het zeereservaat in zoverre in strijd met deze
bepaling heeft genomen.
2.9. De Vissersbond en andere achten de concrete beleidsbeslissingen voor de
landaanwinning en de zandwinning voorts in strijd met artikel 2b van de WRO.
Deze concrete beleidsbeslissingen conflicteren naar hun mening met de in de
planologische kernbeslissing Structuurschema Groene Ruimte (hierna: het SGR)
opgenomen beslissing van wezenlijk belang inzake het sluiten van bepaalde
gebieden in de Voordelta voor visserij. Ook achten zij deze in strijd met de
aanduidingen in het SGR ter plaatse van een kern- en/of
natuurontwikkelingsgebied. Verder achten zij de concrete beleidsbeslissingen in
strijd met het Structuurschema Groene Ruimte 2 (hierna: het SGR 2).
2.9.1. Verweerder acht de concrete beleidsbeslissingen niet in strijd met het
SGR. Landaanwinning en zandwinning worden volgens hem voorts niet uitgesloten in
een in het SGR opgenomen beslissing van wezenlijk belang.
2.9.2. Ingevolge artikel 2b, eerste lid, van de WRO kan een pkb geheel of
gedeeltelijk worden herzien of ingetrokken.
De Afdeling overweegt dat het SGR, gelet op de Wet rechtskracht Structuurschema
groene ruimte en de daaraan toegekende terugwerkende kracht, ten tijde van de
vaststelling van de nu voorliggende pkb en ook thans als een geldend plan als
bedoeld in artikel 2a van de WRO dient te worden aangemerkt.
In het SGR zijn onder meer beslissingen van wezenlijk belang neergelegd inzake
het sluiten van bepaalde gebieden in de Voordelta voor bepaalde vormen van
visserij en inzake de toelaatbaarheid van ingrepen en ontwikkelingen in of in de
onmiddellijke nabijheid van kerngebieden.
Voor zover zou moeten worden aangenomen dat de concrete beleidsbeslissingen
inzake de landaanwinning en de zandwinning in strijd zijn met deze in het SGR
opgenomen beslissingen van wezenlijk belang, ziet de Afdeling hierin geen
aanleiding voor het oordeel dat de pkb PMR pas had mogen worden vastgesteld
nadat het SGR op die punten zou zijn herzien. Bij een latere pkb kan een andere
beleidskeuze worden gemaakt dan in het SGR is neergelegd. Niet is gebleken dat
rechtsbeginselen of bijzondere omstandigheden hieraan in dit geval in de weg
staan. Niet kan derhalve worden geoordeeld dat de pkb op dit punt onrechtmatig
is.
Over het SGR 2 overweegt de Afdeling dat in zoverre rijksbeleid in voorbereiding
is; dit is derhalve nog niet geldend. Het voornemen van rijkswege is erop
gericht het SGR 2 te doen opgaan in de Nota Ruimte. De Afdeling is van oordeel
dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat beide concrete
beleidsbeslissingen niet aan het in voorbereiding zijnde SGR 2 (de Nota Ruimte)
behoefden te worden getoetst.
De beroepen tegen de concrete beleidsbeslissingen ten aanzien van het
deelproject Landaanwinning
Omvang en ligging zoekgebied landaanwinning
2.10. De Vereniging Verontruste Burgers stelt voorts in beroep dat het gebied
waarbinnen de landaanwinning kan worden aangelegd, overgedimensioneerd is en in
overeenstemming dient te worden gebracht met de configuratie van de in het
milieu-effectrapport (hierna: MER) onderzochte varianten en de in het akkoord
“Visie & Durf” overeengekomen Haringvlietlijn. Verwezenlijking van de zogenoemde
“Zuidelijke variant” zou uitgesloten moeten worden, aldus de vereniging.
Ook het college van burgemeester en wethouders van Westvoorne stelt in beroep
dat het zoekgebied voor de landaanwinning begrensd dient te worden. Binnen het
gebied dat wordt begrensd door de Euro-Maasgeul in het noorden, de verlengde
demarcatielijn in het zuiden en de Haringvlietlijn, zoals opgenomen in “Visie &
Durf”, in het westen bestaan voldoende mogelijkheden voor innovatieve ontwerpen
voor de landaanwinning, aldus het college.
2.10.1. Verweerder ziet geen aanleiding voor een verkleining van het zoekgebied
voor de landaanwinning. Hij benadrukt het belang van een voldoende grote omvang
om optimaal te kunnen profiteren van voortschrijdende inzichten ten aanzien van
de effecten van ontwerpen op ecologische, milieu-, technische en economische
aspecten. Voorts zijn in de pkb randvoorwaarden geformuleerd waaraan bij de
keuze voor het uiteindelijke ontwerp voldaan zal moeten worden, aldus
verweerder.
2.10.2. Met de concrete beleidsbeslissing voor de landaanwinning, bezien in
samenhang met de concrete beleidsbeslissing inzake de demarcatielijn, is een
zeegebied als zoekgebied aangewezen dat is gelegen ten westen van de bestaande
Maasvlakte. Het zoekgebied is aanzienlijk groter dan het uiteindelijk benodigde
bruto oppervlak voor de gehele landaanwinning, die haven- en industrieterrein,
havenbekkens, zeewering en infrastructuur omvat.
De begrenzing van dit gebied is aangeduid op figuur 3.1 bij beide concrete
beleidsbeslissingen. Hiermee is voorzien in een verlenging in zuidwestelijke
richting van de zogenoemde demarcatielijn; dit betreft de zuidelijke grens voor
de uitbreiding van de Maasvlakte. Door deze verlenging behoort in beginsel ook
de aanleg van een zuidelijke inrichtingsvariant tot de mogelijkheden.
De door appellanten bedoelde Haringvlietlijn is de met een lichte kromming in
noordwestelijke richting doorgetrokken kustlijn van Rockanje. Het akkoord “Visie
& Durf” is een in 2000 gesloten overeenkomst tussen de gemeente Rotterdam en
diverse natuurorganisaties, waarin is neergelegd de Haringvlietlijn als
zuidwestelijke begrenzing van de nieuwe landaanwinning aan te houden. In geval
van een begrenzing door de Haringvlietlijn zou een zuidelijke inrichtingsvariant
uitgesloten zijn. Het akkoord is niet door het Rijk ondertekend.
De Afdeling ziet in het algemeen geen aanleiding voor het oordeel een zoekgebied
in een concrete beleidsbeslissing, mits omtrent de omvang en begrenzing hiervan
geen onduidelijkheid bestaat, in strijd met enige bepaling van de WRO of
anderszins in strijd met het recht te achten. Het is in eerste instantie aan het
bestuursorgaan om te bepalen of hij de voorkeur geeft aan het aanwijzen van een
precieze plaats dan wel een zoekgebied. Indien hij kiest voor een gebied dat
groter is dan nodig voor de mogelijk te maken activiteit dient bij de
vaststelling van de concrete beleidsbeslissing met het oog op de uitvoerbaarheid
daarvan voldoende zeker te zijn dat de activiteit in de vervolgbesluitvorming op
een of meer plaatsen binnen dat zoekgebied kan worden gelokaliseerd. Zoals
hiervoor in 2.4. is overwogen, kan artikel 24 van de WRO bij een definitieve
plaatsbepaling binnen het zoekgebied voorts niet worden tegengeworpen.
Meer in het bijzonder ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel het
thans aan de orde zijnde zoekgebied voor de landaanwinning in strijd met de
rechtszekerheid te achten. Zij acht de omvang en de begrenzing voldoende
duidelijk vastgelegd en ook voldoende gemotiveerd.
De Afdeling zal de bezwaren van de Vereniging Verontruste Burgers en het college
van burgemeester en wethouders van Westvoorne voorts aldus opvatten dat zij van
mening zijn dat de zuidelijke inrichtingsvariant vanwege de gevolgen daarvan
voor Voorne uitgesloten zou moeten worden en zij zal deze bezwaren hierna in
2.15. en volgende behandelen.
2.11. De Vissersbond en andere stellen voorts in beroep dat de concrete
beleidsbeslissing inzake de landaanwinning niet uitvoerbaar is aangezien
tweevijfde van het zoekgebied niet decentraal is ingedeeld. Om die reden kunnen
bestemmingsplannen en geluidszones volgens hen niet worden vastgesteld.
2.11.1. Verweerder stelt dat is voorzien in een bestuurlijke indeling van het
gebied van de landaanwinning bij de gemeente Rotterdam en de provincie
Zuid-Holland. Hij gaat er van uit dat er tijdig een bevoegd decentraal gezag zal
zijn om terzake van de landaanwinning nadere besluiten te nemen.
2.11.2. Bij Wet van 2 november 1990, houdende regeling provincie- en
gemeentegrenzen langs de Noordzeekust van de gemeente Den Helder tot en met de
gemeente Sluis en wijziging van de Financiële Verhoudingswet 1984 is voorzien in
een wettelijke regeling dan wel een aanpassing van de provincie- en
gemeentegrenzen langs de Noordzeekust van de provincies Noord-Holland,
uitgezonderd de kust van de gemeente Texel, Zuid-Holland en Zeeland. Uit deze
regeling, bezien in samenhang met de ligging van het zoekgebied voor de
landaanwinning, volgt dat een groot gedeelte van het zoekgebied op gronden ziet
die zich weliswaar binnen de Nederlandse territoriale wateren bevinden, maar
niet gemeentelijk en provinciaal zijn ingedeeld.
In de Wet algemene regels herindeling zijn voorschriften neergelegd die van
toepassing zijn op de wijziging van de gemeentelijke en provinciale indeling.
Niet is gebleken dat niet kan worden voorzien in een gemeentelijke en
provinciale indeling van het gebied van de landaanwinning. De Afdeling ziet geen
aanleiding voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid van een tijdige
bestuurlijke indeling van het gebied van de landaanwinning bij de provincie
Zuid-Holland en bij de gemeente Rotterdam mocht uitgaan. Hij kon dan ook van de
tijdige aanwezigheid van een bevoegd gezag voor de diverse te nemen
vervolgbesluiten uitgaan. Overigens is inmiddels in het Staatsblad (Stb. 2004,
514 en 515) het besluit tot wijziging van de gemeente- en provinciegrens
bekendgemaakt.
Vogel- en Habitatrichtlijn
2.12. De Vissersbond en andere achten de concrete beleidsbeslissing inzake de
landaanwinning, voor zover deze betreft de gevolgen voor het vislarven- en
slibtransport naar de Waddenzee, in strijd met artikel 6, derde lid, van de
richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992,
inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna
(Pb L 206; hierna: Habitatrichtlijn) mede in het licht van het
voorzorgsbeginsel, zoals neergelegd in artikel 174 van het Verdrag tot
oprichting van de Europese Gemeenschap (hierna: EG-Verdrag), aangezien op dat
punt geen dan wel onvoldoende onderzoek naar de ecologische effecten is
verricht.
Voorts achten zij deze concrete beleidsbeslissing in strijd met artikel 6,
vierde lid, van de Habitatrichtlijn. In dat verband voeren zij onder meer aan
dat naar alternatieven voor de landaanwinning onvoldoende onderzoek is gedaan.
Het zoekgebied is volgens hen ten onrechte beperkt tot Zuid-West Nederland en
niet is bezien of aanleg elders mogelijk is buiten de ecologische
hoofdstructuur. Dwingende redenen van groot openbaar belang kunnen volgens
appellanten niet worden aangenomen, aangezien de aangevoerde redenen alleen van
economische aard zijn.
2.12.1. Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de richtlijn 79/409/EEG van de Raad
van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de
vogelstand (Pb L 103; hierna: Vogelrichtlijn) dienen de lidstaten voor de
leefgebieden van de in bijlage I van de richtlijn genoemde vogelsoorten speciale
beschermingsmaatregelen te treffen, met name door het aanwijzen van de naar
aantal en oppervlakte voor de instandhouding van deze soorten meest geschikte
gebieden als speciale beschermingszone.
Ingevolge artikel 4, tweede lid, van de Vogelrichtlijn dienen de lidstaten
soortgelijke maatregelen te nemen ten aanzien van de niet in bijlage I genoemde
en geregeld voorkomende trekvogels ten aanzien van hun broed-, rui- en
overwinteringsgebieden en rustplaatsen in hun trekzones.
In artikel 7 van de Habitatrichtlijn is bepaald dat het beschermingsregime van
artikel 6, tweede, derde en vierde lid, van de Habitatrichtlijn op de krachtens
de Vogelrichtlijn aangewezen speciale beschermingszones van toepassing is.
In artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn is bepaald dat de lidstaten
passende maatregelen treffen om ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de
natuurlijke habitats en de habitats van soorten in de speciale beschermingszones
niet verslechtert en er geen storende factoren optreden voor de soorten waarvoor
de zones zijn aangewezen, voor zover die factoren, gelet op de doelstellingen
van de richtlijn, een significant effect zouden kunnen hebben.
Ingevolge artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn wordt voor elk plan of
project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het
gebied maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten
significante gevolgen kan hebben voor zo'n gebied, een passende beoordeling
gemaakt van de gevolgen voor het gebied, rekening houdend met de
instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied. Gelet op de conclusies van de
beoordeling van de gevolgen voor het gebied en onder voorbehoud van het bepaalde
in het vierde lid, geven de bevoegde nationale instanties slechts toestemming
voor dat plan of project nadat zij de zekerheid hebben verkregen dat het de
natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied niet zal aantasten en nadat zij
in voorkomend geval inspraakmogelijkheden hebben geboden.
In artikel 6, vierde lid, van de Habitatrichtlijn is bepaald dat indien een plan
of project, ondanks negatieve conclusies van de beoordeling van de gevolgen voor
het gebied, bij ontstentenis van alternatieve oplossingen, om dwingende redenen
van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische
aard, toch moet worden gerealiseerd, de lidstaat alle nodige compenserende
maatregelen neemt om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000
bewaard blijft. De lidstaat stelt de Commissie op de hoogte van de genomen
compenserende maatregelen. Wanneer het betrokken gebied een gebied met een
prioritair type natuurlijke habitat en/of een prioritaire soort is, kunnen
alleen argumenten die verband houden met de menselijke gezondheid, de openbare
veiligheid of met voor het milieu wezenlijke gunstige effecten dan wel, na
advies van de Commissie, andere dwingende redenen van groot openbaar belang
worden aangevoerd.
2.12.2. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese
Gemeenschappen (hierna: het Hof) moet ter bepaling van de werking van een
richtlijn een onderscheid worden gemaakt tussen een correcte en een incorrecte
implementatie van die richtlijn.
In geval van correcte implementatie bereikt de werking van een richtlijn de
particulieren via de door de betrokken lidstaat getroffen
uitvoeringsmaatregelen. Slechts indien een richtlijn, na afloop van de
implementatieperiode, niet, niet tijdig of onjuist is geïmplementeerd, kan een
particulier een rechtstreeks beroep op die richtlijn doen en dan nog alleen op
de bepalingen van de richtlijn die onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig zijn
bepaald (arrest 8/81, Becker, Jur. 1982, pp. 59 e.v. pp. 70-71).
Volgens vaste jurisprudentie van het Hof dienen de rechterlijke instanties van
de lidstaten de rechtsbescherming te verzekeren die voor de justitiabelen uit de
rechtstreekse werking van het gemeenschapsrecht voortvloeit (arrest C-312/93,
Peterbroeck, 14 december 1995).
Uit het vorenstaande blijkt dat de vraag naar de rechtstreekse werking van de
bepalingen van een richtlijn alleen kan rijzen in gevallen waarin niet, niet
tijdig of incorrect is geïmplementeerd.
Volgens vaste jurisprudentie van het Hof (arrest 14/83, Von Colson en Kamann, 10
april 1984, Jur. 1984, p. 1891; arrest 106/89, Marleasing, 13 november 1990, Jur.
1990, p. I-4135) moet bij de toepassing van nationaal recht de nationale rechter
dit recht zoveel mogelijk uitleggen in het licht van de bewoordingen en het doel
van de richtlijn, teneinde het hiermee beoogde resultaat te bereiken.
Waddenzee
2.12.3. De Waddenzee is bij besluit van 8 november 1991 aangewezen als speciale
beschermingszone (hierna: SBZ) als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de
Vogelrichtlijn. Hierop is ingevolge artikel 7 van Habitatrichtlijn mede het
beschermingsregime van artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn van
toepassing.
Artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn is tot op heden niet
geïmplementeerd in een wet in formele zin dan wel een ander algemeen verbindend
voorschrift. De Afdeling ziet in het Nederlandse recht evenmin voorschriften die
zich lenen voor richtlijnconforme interpretatie van artikel 6, derde lid, van de
Habitatrichtlijn. Uit het arrest van het Hof van 7 september 2004, zaak
C-127/02, volgt dat op artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn voor de
nationale rechter een rechtstreeks beroep kan worden gedaan.
Niet in geding is dat de landaanwinning een plan of project is als bedoeld in
artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn en dat deze niet kan worden
aangemerkt als een plan of project dat direct verband houdt met of nodig is voor
het beheer van de Waddenzee.
Dit betekent dat dient te worden bezien of verweerder op grond van objectieve
gegevens kon uitsluiten dat de landaanwinning significante gevolgen heeft voor
de Waddenzee, afgezet tegen de instandhoudingsdoelstellingen daarvan.
2.12.4. Uit de toelichting bij het besluit tot aanwijzing van de Waddenzee als
SBZ blijkt onder meer het volgende.
De Waddenzee is in ecologisch opzicht het belangrijkste getijdegebied van
West-Europa. Het gebied bestaat uit een complex van ondiep water met zand- en
slibbanken, waarvan grote delen bij laag water droog vallen. De productie van
biomassa in het Waddengebied is erg hoog. Dit hangt samen met de aanvoer van
grote hoeveelheden anorganisch en organisch materiaal vanuit de Noordzee. Een
deel hiervan wordt direct door planten en dieren opgenomen. Een ander deel
bezinkt en wordt voor zover bruikbaar opgenomen door plantaardige en dierlijke
organismen op en in de bodem. Het gedeelte dat niet direct of via sedimentatie
wordt opgenomen, stroomt bij eb weer weg. Bij dit proces spelen vele soorten
lagere planten en vele diersoorten een rol. Het gebied is voorts van groot
belang voor een groot aantal vogelsoorten als voedselbron en rustplaats.
2.12.5. Uit het MER volgt dat de kustzone een belangrijke rol speelt in de
migratie van eieren en vislarven van paaigebieden naar opgroeigebieden. Veel
soorten paaien op open zee, terwijl de opgroeigebieden in de kustzone en
estuaria (met name de Waddenzee) liggen. Een uitbouw van de kust ter plaatse van
het zoekgebied voor de landaanwinning betekent een blokkade in de transportzone
langs de kust. Ten noorden van de landaanwinning wordt de transportzone hierdoor
naar verwachting verbreed. Het effect van een verbreding van de transportzone op
het transport van eieren en larven is volgens het MER nog onvoldoende duidelijk.
2.12.5.1. In het MER is voorts ingegaan op een verandering in de
slibconcentratie in de kustzone en de mogelijke gevolgen daarvan voor het
slibtransport richting Waddenzee. Slib speelt een belangrijke rol in de ecologie
van het Waddensysteem. De relaties tussen slib en ecologie zijn in veel gevallen
echter nog niet duidelijk, aldus het MER. In het MER is op dit punt een nadere
analyse aangekondigd.
Uit een studie van Delft Hydraulics over de effecten van verschillende
PMR-landaanwinningsscenario’s op het slibtransport vanuit het zuidelijke deel
van de Noordzee langs de Nederlandse kust volgt dat de grootste effecten ten
zuiden van het landaanwinningsgebied te verwachten zijn. In de studie wordt
tevens geconcludeerd dat het effect op de sedimentatiebalans in de Waddenzee
vrij gering zal zijn. Daarbij wordt er wel op gewezen dat de foutmarge van de
bevindingen nog aanzienlijk is en dat derhalve geen harde conclusies kunnen
worden getrokken ten aanzien van de voor de Waddenzee te verwachten gevolgen.
In de pkb zijn verder de resultaten van het in het MER aangekondigde nadere
onderzoek naar de effecten van een landaanwinning op de slibhuishouding voor de
Hollandse kust en in de Waddenzee vermeld. Een landaanwinning heeft effect op de
verdeling van het slibtransport langs de Hollandse kust: dichtbij de kust neemt
het slibtransport af, terwijl op een grotere afstand uit de kust sprake is van
een toeneming. Dit effect gaat gepaard met een afneming van de slibgehalten
nabij de kust. Ter hoogte van Den Helder bedraagt deze afneming volgens
modelberekeningen 5 à 25%. De modelberekeningen geven nog geen betrouwbare
voorspelling van de slibgehalten en de slibbalans van de Waddenzee. Op grond van
de afneming voor de kust van Den Helder wordt in de Waddenzee een afneming van
het slibgehalte verwacht, maximaal van dezelfde orde van grootte. Tegengesteld
aan deze ontwikkeling zijn, aldus de pkb, de gevolgen van een veranderd
spuiregime van de Haringvlietsluizen, hetgeen kan leiden tot een toeneming van
het slibgehalte met ongeveer 20%. Over de gevolgen van veranderingen van de
slibinstroom voor het ecosysteem van de Waddenzee is nog onvoldoende kennis
aanwezig en ook binnen afzienbare tijd kan niet worden verwacht dat nieuwe
gegevens beschikbaar zullen zijn, aldus de pkb.
2.12.6. Daargelaten de vraag of de veranderingen in het spuiregime van de
Haringvlietsluizen betrokken kunnen worden bij de beantwoording van de vraag of
voor de aanleg van de Tweede Maasvlakte een passende beoordeling dient te worden
gemaakt, valt niet uit te sluiten dat de landaanwinning gevolgen heeft voor het
vislarven- en slibtransport langs de kust in noordelijke richting en dat deze,
gelet op het op voorhand niet onaannemelijk te achten belang van de vislarven-
en slibinstroom in de Waddenzee, significante gevolgen kan hebben voor de SBZ
Waddenzee, afgezet tegen de instandhoudingsdoelstellingen daarvan. Dit betekent
dat verweerder ten behoeve van de gevolgen van de landaanwinning voor de te
beschermen waarden van de Waddenzee een passende beoordeling had moeten maken.
De Afdeling is er op basis van de stukken die haar ter beschikking staan, en
gelet op het verhandelde ter zitting onvoldoende van overtuigd dat de hiervoor
vermelde onderzoeken kunnen worden aangemerkt als een passende beoordeling die
op basis van de beste wetenschappelijke kennis voorziet in een inventarisatie
van alle aspecten van de landaanwinning die de instandhoudingsdoelstellingen van
de Waddenzee in gevaar kunnen brengen. Zij acht in dit verband niet aannemelijk
gemaakt dat nader onderzoek niet zou kunnen bijdragen aan het verkrijgen van
meer duidelijkheid over de omvang en de gevolgen van een verminderde slib- en
vislarventoevoer voor de te beschermen waarden van de Waddenzee in het licht van
de instandhoudingsdoelstellingen.
Gelet op het voorgaande is de concrete beleidsbeslissing voor de landaanwinning
genomen in strijd met artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn.
Voordelta, Voornes Duin en Duinen van Goeree
2.12.7. Het zoekgebied voor de landaanwinning dat in de pkb als concrete
beleidsbeslissing is aangewezen, is geprojecteerd in de Voordelta en gelegen in
de nabijheid van duinen met hoge natuurwaarden op Voorne en Goeree. De Voordelta
is bij besluiten van 24 maart 2000 en 7 december 2001 aangewezen als SBZ op
grond van de Vogelrichtlijn.
Uit de toelichting bij het besluit van 24 maart 2000, die onderdeel uitmaakt van
dit aanwijzingsbesluit, blijkt dat de Voordelta bestaat uit open zee,
intergetijdegebied (zandplaten en slikken) en stranden. Het gebied kwalificeert
zich als SBZ vanwege het voorkomen van de Lepelaar, Toppereend, Zilverplevier,
Tureluur, Roodkeelduiker en Kuifduiker; daarvan zijn de Lepelaar, Toppereend,
Zilverplevier en Tureluur te beschouwen als soorten die bescherming behoeven op
grond van de Wetlands-Conventie.
2.12.8. Door de aanleg van de landaanwinning zal dit gedeelte van de Voordelta
als natuurgebied verloren gaan. Uit de pkb volgt dat verweerder zich op het
standpunt stelt dat de uitbreiding van de Rotterdamse haven de natuurlijke
kenmerken van dat gebied zal aantasten. Hij verbindt hieraan de conclusie dat de
aanleg van de landaanwinning alleen mogelijk is indien voldaan kan worden aan de
criteria in artikel 6, vierde lid, van de Habitatrichtlijn.
De Nederlandse regering heeft in dit verband op 12 maart 2002 de Europese
Commissie verzocht advies uit te brengen in het kader van de Vogelrichtlijn en
artikel 6, vierde lid, van de Habitatrichtlijn, aangezien de landaanwinning
waarschijnlijk significante gevolgen zal hebben voor een prioritaire habitat
alsmede voor twee andere habitats die worden genoemd in bijlage 1 van de
Habitatrichtlijn. De Commissie heeft op 24 april 2003 advies uitgebracht.
Volgens de Commissie lijdt het geen twijfel dat het project, in de zin van
artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn, significante gevolgen zal hebben
voor de kwaliteit van verscheidene Natura 2000-zones en de hier voorkomende
habitats en soorten. De vogelsoorten waarop de landaanwinning significante
gevolgen zal hebben, zijn de Kuifduiker en de Toppereend. De populaties van de
Kuifduiker zullen waarschijnlijk met 0,1 tot 5% teruglopen in de SBZ; voor de
populaties van de Toppereend is dit 8 tot 16%.
Mede gelet op het vorenstaande is niet in geding dat de aanleg van de
landaanwinning schadelijke gevolgen heeft voor het desbetreffende deel van de
SBZ Voordelta, doordat de natuurlijke kenmerken van dit gebied zullen worden
aangetast, en dat artikel 6, vierde lid, van de Habitatrichtlijn van toepassing
is.
2.12.9. De Afdeling stelt onder verwijzing naar haar overwegingen in 2.12.2.
vast dat artikel 6, vierde lid, van de Habitatrichtlijn tot op heden niet is
geïmplementeerd in een wet in formele zin dan wel een ander algemeen verbindend
voorschrift. De Afdeling ziet in het Nederlandse recht evenmin voorschriften die
zich lenen voor richtlijnconforme interpretatie van artikel 6, vierde lid, van
de Habitatrichtlijn.
Derhalve dient de Afdeling na te gaan of artikel 6, vierde lid, van de
Habitatrichtlijn rechtstreeks werkt, dat wil zeggen of op dat artikellid voor de
nationale rechter een rechtstreeks beroep kan worden gedaan.
Een gemeenschapsregeling is onvoorwaardelijk, indien de verplichting die zij
oplegt, van geen enkele voorwaarde en haar uitvoering of werking van generlei
handeling van de instellingen van de Europese Unie of van de lidstaten
afhankelijk is gesteld.
De Afdeling is van oordeel dat aan artikel 6, vierde lid, van de
Habitatrichtlijn, gelet op de bewoordingen van die bepaling, rechtstreekse
werking toekomt. Dit artikellid is wat betreft de grenzen van de aan de lidstaat
gelaten beoordelingsvrijheid onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig en moet
als een uitzondering op de algemene regel in het derde artikellid worden
aangemerkt. Zoals de Afdeling hiervoor reeds heeft overwogen heeft het Hof ten
aanzien van dat artikellid in zijn arrest van 7 september 2004, zaak C-127/02,
bepaald dat daarop voor de nationale rechter een rechtstreeks beroep kan worden
gedaan. In haar rechtsoverwegingen 59 tot en met 61 heeft het Hof artikel 6,
vierde lid, van de Habitatrichtlijn mede genoemd bij de beantwoording van
gestelde vragen over de toepassing van het derde artikellid.
2.12.10. Naast de aanwijzing als SBZ op grond van de Vogelrichtlijn staat de
Voordelta op de lijst van Habitatgebieden die de Nederlandse regering aan de
Commissie heeft toegezonden op grond van artikel 4, eerste lid, van de
Habitatrichtlijn.
Reden voor de aanmelding van de Voordelta is met name de hier voorkomende
habitattypen “Permanent met zeewater van geringe diepte overstroomde zandbanken”
(1110) en “Bij eb droogvallende slikwadden en zandplaten” (1140) alsmede de
soorten Fint en Zeehond. Verder kwalificeert het gebied zich door de
habitattypen “Eenjarige pioniersvegetaties van slik- en zandgebieden met
Zeekraal (Salicornia sp.) en andere zoutminnende soorten” (1310), “Schorren met
slijkgrasvegetatie (Spartinion maritimae)” (1320) en “Atlantische schorren met
kweldergrasvegetatie (Glauco-Puccinellietalia maritimae)” (1330) alsmede de
soorten Zeeprik, Elft en Zalm.
Naast de Voordelta zijn ook het Voornes Duin en de Duinen van Goeree op de
Nederlandse lijst van Habitatrichtlijngebieden geplaatst.
Het Voornes Duin is aangemeld als belangrijkste gebied voor de Habitattypen
“Vastgelegde kustduinen met kruidvegetatie (grijze duinen)” (2130), “Beboste
duinen van het Atlantische, continentale en boreale gebied” (2180) en “Vochtige
duinvalleien” (2190) alsmede de soorten Nauwe korfslak en Groenknolorchis.
Verder is dit gebied aangemeld voor de Habitattypen “Wandelende duinen op de
strandwal met Helm (Ammophila arenaria; witte duinen)” (2120), “Atlantische
vastgelegde ontkalkte duinen (Calluno-Ulicetea)” (2150), “Duinen met Duindoorn (Hippophaë
rhamnoides)” (2160), “Duinen met Kruipwilg (Salix repens ssp. argentea)” (2170)
alsmede de soort Noordse woelmuis.
De Duinen van Goeree zijn aangemeld als belangrijkste gebied voor de
Habitattypen “Eenjarige pioniersvegetaties van slik- en zandgebieden met
Zeekraal (Salicornia sp.) en andere zoutminnende soorten” (1310), “Atlantische
schorren met kweldergrasvegetatie (Glauco-Puccinellietalia maritimae)” (1330),
“Embryonale wandelende duinen” (2110), “Wandelende duinen op de strandwal met
Helm (Ammophila arenaria; witte duinen)” (2120) en “Vastgelegde kustduinen met
kruidvegetatie (grijze duinen)” (2130) alsmede de soort Nauwe korfslak. Verder
is dit gebied aangemeld voor de Habitattypen “Schorren met slijkgrasvegetatie (Spartinion
maritimae)”(1320), “Duinen met Duindoorn (Hippophaë rhamnoides)” (2160),
“Vochtige duinvalleien” (2190) en “Voedselrijke zoomvormende ruigten van het
laagland, en van de montane en alpiene zones” (6430) alsmede de soort Noordse
woelmuis.
Uit de stukken, waaronder het advies van de Commissie, volgt dat de habitats
waarvoor de landaanwinning significante gevolgen zal hebben, “Vastgelegde
kustduinen met kruidvegetatie (grijze duinen)” (2130; orde van grootte 19,5
hectare), “Wandelende duinen op de strandwal met Helm (Ammophila arenaria; witte
duinen)” (2120; orde van grootte 23 hectare) en “Permanent met zeewater van
geringe diepte overstroomde zandbanken (1110; orde van grootte 3.125 hectare)
zijn. Voorts zijn er significante gevolgen voor de Groenknolorchis (Liparis
loeselii), zoals vermeld op bijlage II van de Habitatrichtlijn, in een vijfde
van de zones waar deze voorkomt in het Voornes Duin.
Ten tijde van het bestreden besluit was de communautaire lijst als bedoeld in
artikel 4, tweede lid, van de Habitatrichtlijn nog niet vastgesteld, zodat de
bepalingen van artikel 6, tweede, derde en vierde lid, van de Habitatrichtlijn
in zoverre nog niet golden.
Artikel 10 van het EG-Verdrag, waarin het beginsel van de gemeenschapstrouw is
neergelegd, gelezen in samenhang met artikel 249 van het EG-Verdrag, brengt
echter met zich dat lidstaten en hun organen zich tot het moment van
vaststelling van de lijst door de Commissie onthouden van activiteiten die de
verwezenlijking van het door de Habitatrichtlijn voorgeschreven resultaat
ernstig in gevaar zouden brengen. Onder het door de richtlijn voorgeschreven
resultaat dient in dit verband mede te worden begrepen de toets aan de
voorwaarden van artikel 6, vierde lid, van de Habitatrichtlijn.
2.12.11. In het navolgende zal de Afdeling met name nagaan of de besluitvorming
van verweerder wat betreft de toepassing van de in artikel 6, vierde lid, van de
Habitatrichtlijn genoemde voorwaarden, in overeenstemming is met de in de
artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) genoemde
eisen van respectievelijk zorgvuldigheid en deugdelijke motivering alsmede
artikel 10 van het EG-Verdrag, gelezen in samenhang met artikel 249 van het
EG-Verdrag.
Alternatieven
2.12.12. Gelet op de tekst van artikel 6, vierde lid, van de Habitatrichtlijn
dient in een geval als het onderhavige allereerst te worden onderzocht of een
alternatieve oplossing voor het plan of project bestaat die geen of een
geringere aantasting van de SBZ betekent. Hierbij kan bijvoorbeeld worden
gedacht aan alternatieve plaatsen voor het project of aan alternatieve manieren
waarop een zelfde resultaat kan worden bereikt. Bij de beoordeling van de
alternatieven dient de bescherming van de SBZ voorop te staan.
Zoals hiervoor in 2.2. is beschreven, is met de pkb beoogd ruimtelijke
voorwaarden te scheppen voor het verwezenlijken van de dubbeldoelstelling:
versterking van de positie van de mainport Rotterdam en het verbeteren van de
kwaliteit van de leefomgeving in Rijnmond. Met mainport Rotterdam worden volgens
de Startnotitie Mainportontwikkeling uit 1998 bedoeld de haven van Rotterdam en
daaraan functioneel verbonden locaties, die samen optimale kansen bieden voor de
verwerking van havengerelateerde goederenstromen en daaraan verwante handels-,
logistieke en industriële activiteiten, met als doel het creëren van inkomen
(bijdrage aan Bruto Nationaal Product) en werkgelegenheid in de regio Rijnmond
en de rest van Nederland.
Voorafgaand aan de pkb-procedure heeft verweerder in 1996 onderzoek laten
verrichten naar het ruimtetekort in de Rotterdamse haven. Dit onderzoek en een
daarmee samenhangende landelijke discussie vormden de Verkenning Ruimtetekort
Mainport Rotterdam. Uit het verweerschrift blijkt dat de havenregio’s Rijnmond,
Vlissingen/Terneuzen, Amsterdam/Noordzeekanaal, Moerdijk en Delfzijl/Eemshaven
in dit kader zijn betrokken. Naar aanleiding van de resultaten van deze
verkenning heeft verweerder op 14 juli 1997 de Projectbeslissing Ruimtetekort in
mainport Rotterdam genomen. Vervolgens is de startnotitie pkb-plus/m.e.r.
Mainportontwikkeling Rotterdam genomen, waarin als zoekgebied Zuid-West
Nederland is gehanteerd. Als alternatieve wijze voor het oplossen van het
bestaande ruimtetekort heeft verweerder voorts de mogelijkheden tot inbreiden en
intensiveren van de bestaande Rotterdamse haven bezien.
De Afdeling acht het alternatievenonderzoek toereikend.
2.12.13. Volgens verweerder kunnen de havens en industriegebieden van Moerdijk,
Terneuzen en Vlissingen onvoldoende oplossing bieden voor het ruimtetekort.
Verweerder is van mening dat in de havens in Zuid-West Nederland
clustervoordelen, de logistieke dienstverlening en de verbinding via het spoor,
die met name voor de sector deepsea containers onontbeerlijk zijn, ontbreken.
Hij stelt verder vast dat ook de marktpartijen van mening zijn dat alleen de
haven van Rotterdam de faciliteiten voor de deepsea containersector in voldoende
mate te bieden heeft. Ditzelfde geldt voor een eventuele nieuwe, grootschalige
chemievestiging ter versterking van het Rotterdamse chemiecluster.
Verweerder stelt zich verder op het standpunt dat het inbreiden en intensiveren
van de bestaande Rotterdamse haven wel kan bijdragen aan de versterking van de
mainport maar dat de mogelijkheden hiertoe beperkt zijn en bovendien in conflict
kunnen komen met de te verbeteren kwaliteit van de leefomgeving rond de haven.
Gelet op het vorenstaande heeft verweerder in redelijkheid de keuze voor
uitbreiding van de Rotterdamse haven als uitgangspunt kunnen nemen. Daarbij
betrekt de Afdeling dat ook de Commissie in haar eerdergenoemde advies van 24
april 2003 heeft geoordeeld dat de selectie tussen de alternatieve
projectbenaderingen op passende wijze is uitgevoerd.
Dwingende redenen van groot openbaar belang
2.12.14. Gelet op de tekst van artikel 6, vierde lid, van de Habitatrichtlijn
dient in een geval als dit ook te worden onderzocht of er dwingende redenen van
groot openbaar belang zijn die kunnen rechtvaardigen dat het plan wordt
gerealiseerd ondanks de negatieve conclusies van de beoordeling van de gevolgen
voor het desbetreffende gebied. De dwingende redenen van groot openbaar belang
zullen overtuigend moeten worden aangetoond. Hierbij dient ondubbelzinnig vast
te staan dat het belang van de verwezenlijking van het plan of project op de
lange termijn zwaarder moet wegen dan het belang van het behoud van de SBZ.
2.12.15. In het verzoek om advies aan de Commissie heeft de Nederlandse regering
een aantal elementen aangevoerd ter ondersteuning van haar verklaring dat de
landaanwinning moet worden uitgevoerd om andere dwingende redenen van groot
openbaar belang dan die welke samenhangen met de menselijke gezondheid, de
openbare veiligheid of voor het milieu wezenlijk gunstige effecten. Deze
elementen zijn:
▪ de haven- en industriële activiteiten in het gebied rond Rotterdam vormen een
van de hoekstenen van de Nederlandse economie;
▪ de verwachte groei in de sectoren internationale containeroverslag en -vervoer
en industriële chemie zal tot een grotere vraag naar ruimte leiden, waaraan moet
kunnen worden voldaan, wil de Rotterdamse haven zijn concurrentiepositie in het
gebied Hamburg-Le Havre kunnen behouden;
▪ de Rotterdamse haven is een essentieel multimodaal kruispunt in het
Trans-Europees Netwerk Transport als vastgesteld bij “Beschikking nr. 1692/96/EG
van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 1996 betreffende communautaire
richtsnoeren voor de ontwikkeling van een transeuropees vervoersnet” en is aldus
van communautair belang. Versterking van de mainport Rotterdam zal een
belangrijke bijdrage leveren aan dit Europese beleid en ook bijdragen aan de
welvaart van Europa;
▪ het PMR moet worden beschouwd als een project van gemeenschappelijk belang
overeenkomstig artikel 1, vijfde lid, onder b, van de “Beschikking nr.
1346/2001/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 tot wijziging
van Beschikking nr. 1692/96/EG ten aanzien van zeehavens, binnenhavens en
intermodale terminals alsmede ten aanzien van project nr. 8 in bijlage III”;
▪ de gekozen projectbenadering, waarmee een beter gebruik van beschikbare
ruimte, de verbetering van de levensomstandigheden en de generatie van nieuwe
ruimte door landaanwinning worden gecombineerd, lijkt een optimaal evenwicht te
vinden tussen de menselijke leefomgeving en het natuurlijk milieu in het
Rotterdamse stads- en havengebied.
De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder niet in de
bovenvermelde redenen de aanwezigheid van dwingende redenen van groot openbaar
belang als bedoeld in artikel 6, vierde lid, van de Habitatrichtlijn, heeft
mogen aannemen. Daarbij overweegt zij dat dit artikel ook ziet op redenen van
economische aard en dat ook de Commissie in het eerderbedoelde advies de
aanwezigheid van dwingende redenen van groot openbaar belang heeft aangenomen.
Compenserende maatregelen
2.12.16. De derde voorwaarde ingevolge artikel 6, vierde lid, van de
Habitatrichtlijn is dat de lidstaat alle nodige compenserende maatregelen neemt
om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft.
De concrete beleidsbeslissingen inzake het zeereservaat, de aanleg van duinen
met strand bij Delfland en de verwezenlijking van zeereep zijn bedoeld als
compensatie voor door de landaanwinning te verliezen natuurwaarden. De Afdeling
ziet aanleiding op deze plaats de beroepsgronden tegen deze concrete
beleidsbeslissingen te behandelen. De beoordeling van deze
compensatiemaatregelen is immers mede van belang voor de vraag of is voldaan aan
de hiervoor vermelde derde voorwaarde.
Nieuwe duinen met strand bij Delfland alsmede nieuwe zeereep
2.12.17. Perpetuem Progress International, die in de gemeente Westvoorne vier
vakantieparken exploiteert, stelt in haar beroep tegen de concrete
beleidsbeslissingen inzake de nieuwe duinen met strand voor de Delflandse kust
en de nieuwe zeereep bij de Brouwersdam dat deze gebieden hierdoor voor de
recreatie aantrekkelijker worden en Voorne daarmee aan aantrekkingskracht zal
inboeten.
2.12.17.1. Verweerder wijst er op dat in de keuze voor de compensatiemaatregelen
de ecologische vereisten van de Habitatrichtlijn sturend zijn geweest. Pas in
tweede instantie kunnen andere argumenten, zoals recreatieve belangen, een rol
spelen. Waar een afweging mogelijk was, zijn deze belangen wel meegewogen, aldus
verweerder.
2.12.17.2. De Afdeling overweegt dat met beide compensatiemaatregelen is beoogd
te voorzien in de ontwikkeling van min of meer dezelfde natuurtypen als door de
landaanwinning verloren gaan (1:1 compensatie). Niet in geding is dat deze
maatregelen op zich voldoende effect kunnen sorteren. Voor zover van de
maatregelen een extra positief effect op natuurwaarden ter plaatse uitgaat en
dit een terugloop van de recreatie op Voorne, waar de recreatieparken van
appellante zijn gelegen, met zich brengt, overweegt de Afdeling dat niet
aannemelijk is gemaakt dat door deze – mogelijk aan deze beide concrete
beleidsbeslissingen toe te rekenen - terugloop een omvangrijke schade valt te
verwachten. Verweerder heeft, gelet op het gestelde in artikel 6, vierde lid,
van de Habitatrichtlijn, bij de keuze van de compensatiemaatregelen de daarmee
te bereiken positieve effecten voor de geschade natuurbelangen van bepalend
belang kunnen achten.
Het zeereservaat
2.12.18. De Vissersbond en andere stellen in hun beroep tegen de concrete
beleidsbeslissing inzake het zeereservaat voorts dat bij de voorbereiding ervan
onvoldoende overleg heeft plaatsgevonden met de visserijsector. Pas toen een
zeereservaat feitelijk als enige optie voor de compensatie van natuurwaarden was
overgebleven, is getracht draagvlak te vinden bij de visserijsector voor deze
maatregel, aldus deze appellanten.
2.12.18.1. Verweerder stelt dat in het kader van PMR is gekozen voor een
overlegstructuur (het Overleg Niet-Rijkspartijen; hierna: ONR) waarin een
beperkt aantal “koepels” was vertegenwoordigd die tezamen voldoende variëteit
aan ideeën op relevante aspecten konden inbrengen. De functie van het ONR was
kennisinbreng en verbetering van de kwaliteit van de besluitvorming. In het
kader van dit overleg zijn geen specifieke deel- of groepsbelangen
vertegenwoordigd. De inbreng van specifieke belangen was mogelijk in het kader
van de pkb-procedure, aldus verweerder.
2.12.18.2. Ingevolge artikel 2a, tweede lid, van de WRO is met betrekking tot de
voorbereiding van een pkb de in afdeling 3.4 van de Awb geregelde procedure van
toepassing, met dien verstande dat het ontwerp van de pkb gedurende ten hoogste
twaalf weken ter inzage ligt en gedurende die periode desgevraagd ten minste
gedurende drie aaneengesloten uren per week buiten de werkuren kan worden
ingezien. Op verzoek wordt binnen die termijn een kosteloze mondelinge
toelichting verstrekt. Een ieder kan gedurende de termijn van terinzageligging
schriftelijk zijn zienswijze omtrent het ontwerp kenbaar maken.
Niet is gebleken dat niet aan de vereisten in artikel 2a, tweede lid, van de WRO,
gelezen in samenhang met afdeling 3.4 van de Awb, is voldaan. Overigens is uit
de stukken gebleken dat door de visserijsector in de periode van
terinzageligging van het ontwerp van de pkb van 28 mei 2001 tot en met 27 juli
2001 van de gelegenheid tot het kenbaar maken van een zienswijze gebruik is
gemaakt.
2.12.18.3. Ingevolge artikel 2a, derde lid, van de WRO plegen de in het eerste
artikellid bedoelde Ministers over het ontwerp van de pkb overleg met de
besturen van provincies, gemeenten en waterschappen alsmede met die van de in
artikel 134 van de Grondwet bedoelde openbare lichamen, voor zover deze daarvoor
in aanmerking komen. Bedoeld overleg vindt plaats tot uiterlijk twaalf weken na
de termijn van terinzageligging bedoeld in het tweede artikellid.
Naar uit de stukken blijkt heeft op 17 september 2001 over het gehele deel 1 van
de pkb overleg plaatsgevonden met onder meer het Productschap Vis. Niet is
gebleken dat niet aan de wettelijke vereisten van het derde artikellid is
voldaan.
2.12.18.4. Ook voor het overige bestaat geen grond voor het oordeel dat
verweerder inzake het gehouden overleg onjuist of onzorgvuldig te werk is
gegaan. In dat verband komt betekenis toe aan de omstandigheid dat het
Productschap Vis ook bij de totstandkoming van zowel de inventarisatie van
mogelijke compensatiemaatregelen door het Expertisecentrum ten behoeve van deel
1 van de pkb als het “Advies over natuurcompensatie bij een tweede Maasvlakte”
van november 2001 betrokken is geweest.
2.12.19. De Vissersbond en andere stellen verder onder meer dat uit de
toelichting bij de concrete beleidsbeslissing inzake het zeereservaat volgt dat
het bij gebruiksfuncties die substantieel negatieve effecten hebben op mariene
natuurwaarden, onder meer gaat om bodemberoerende visserij en het vissen met
fuiken en staande netten. Nog daargelaten dat zij niet aangetoond achten dat
deze activiteiten tot deze effecten leiden, zijn zij van mening dat de concrete
beleidsbeslissing eerst in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid
aan de Commissie voorgelegd had moeten worden. Vervolgens zou de Raad van de
Europese Unie de maatregel dienen vast te stellen. Zo lang dit niet is gebeurd,
bezit verweerder niet de bevoegdheid deze compensatiemaatregel vast te stellen,
aldus appellanten. De Commissie gaat er volgens hen in haar advies van 24 april
2003 ten onrechte van uit dat de maatregel een nationale aangelegenheid is. De
maatregel heeft ook gevolgen voor buitenlandse vissers en belemmert bovendien op
ongerechtvaardigde wijze het vrije verkeer.
2.12.19.1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de beslissing om een
zeereservaat mogelijk te maken in de zone waar de Europese Unie exclusief
bevoegd is regels voor de visserij te stellen, niet in strijd is met het
communautaire recht. Regulering van visserij zal mede in communautair verband
moeten plaatsvinden. Daartoe zal volgens hem nog overleg plaatsvinden.
Verweerder ziet voorts niet in hoe visserijbeperkingen in een zeereservaat het
vrije verkeer tussen lidstaten zouden beïnvloeden. Voorts stelt hij dat met de
concrete beleidsbeslissing een ruimtelijke reservering is geregeld. Welke
functies in welke mate zullen worden verboden of beperkt, hangt af van het in te
stellen regime, aldus verweerder.
2.12.19.2. De Afdeling stelt voorop dat in de concrete beleidsbeslissing niet is
aangegeven welke gebruiksfuncties zullen worden beperkt of verboden om het met
de concrete beleidsbeslissing beoogde doel te bereiken. In het
uitvoeringstraject dient dit nader te worden ingevuld. Dit betekent niet dat
niet reeds nu als reële mogelijkheid moet worden bezien dat bepaalde vormen van
visserij in het gebied van het in te stellen zeereservaat aan beperkingen zullen
worden onderworpen om in voldoende mate in de noodzakelijke compensatie te
kunnen voorzien.
Gelet hierop zal de instelling van het zeereservaat moeten worden beoordeeld in
het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid en de met het oog daarop door
de Raad van de Europese Unie vastgestelde Verordening (EG) nr. 2371/2002 van 20
december 2002 inzake de instandhouding en de duurzame exploitatie van de
visbestanden in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid (hierna: de
Verordening) (PB L 358).
Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Verordening heeft het gemeenschappelijk
visserijbeleid betrekking op de instandhouding, het beheer en exploitatie van
levende aquatische hulpbronnen en de aquacultuur en op de verwerking en afzet
van visserij- en aquacultuurproducten voor zover deze activiteiten worden
uitgeoefend op het grondgebied van de lidstaten of in de communautaire wateren
of door communautaire vissersvaartuigen of door onderdanen van de lidstaten,
onverminderd de primaire verantwoordelijkheid van de vlaggenstaat. Ingevolge het
tweede lid voorziet het gemeenschappelijk visserijbeleid in coherente
maatregelen met betrekking tot onder meer de instandhouding, het beheer en de
exploitatie van de levende aquatische hulpbronnen en de beperking van het
milieueffect van de visserij.
Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Verordening garandeert het
gemeenschappelijk visserijbeleid een exploitatie van de levende aquatische
hulpbronnen die voor duurzame omstandigheden op economisch, ecologisch en
sociaal gebied zorgt. Hiertoe volgt de Gemeenschap de voorzorgsaanpak bij het
nemen van maatregelen die erop zijn gericht de levende aquatische hulpbronnen te
beschermen en in stand te houden, voor een duurzame exploitatie van die
hulpbronnen te zorgen en het effect van visserijactiviteiten op de mariene
ecosystemen zo gering mogelijk te houden. Zij streeft naar een geleidelijke
tenuitvoerlegging van een op het ecosysteem gebaseerde aanpak van het
visserijbeheer. Zij streeft ernaar bij te dragen tot doelmatige
visserijactiviteiten binnen een economisch levensvatbare en concurrerende
visserij- en aquacultuursector, daarbij zorgend voor een redelijke
levensstandaard voor degenen die van visserijactiviteiten afhankelijk zijn, en
rekening houdend met de belangen van de consumenten.
2.12.19.3. Naar uit de stukken blijkt, is het zoekgebied voor het zeereservaat
geprojecteerd op gronden die zijn gelegen binnen de Nederlandse territoriale
wateren (de 12 mijlszone).
Ingevolge artikel 17, tweede lid, van de Verordening worden de lidstaten vanaf 1
januari 2003 tot en met 31 december 2012 gemachtigd in de wateren onder hun
soevereiniteit of jurisdictie tot 12 zeemijl vanaf de basislijnen de visserij te
beperken tot de vissersvaartuigen die van oudsher in die wateren vissen vanuit
havens aan de aangrenzende kust, onverminderd de regelingen die in het kader van
bestaande nabuurschapsbetrekkingen tussen lidstaten bestaan voor communautaire
vissersvaartuigen die de vlag van andere lidstaten voeren, en onverminderd de
regelingen die zijn opgenomen in bijlage I van de Verordening, waarin voor elke
lidstaat de geografische zones van de kustwateren van de andere lidstaten zijn
vastgesteld waar visserijactiviteiten mogen plaatsvinden, evenals de soorten
waarop deze activiteiten betrekking mogen hebben.
Niet in geding is dat vissersvaartuigen uit België, Denemarken, Duitsland en
Frankrijk toegang hebben tot delen van de Nederlandse kustwateren, waar het
instellen van het zeereservaat is beoogd.
2.12.19.4. Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Verordening kan een lidstaat
niet-discriminerende maatregelen nemen voor de instandhouding en het beheer van
visbestanden en om het effect van visserij op de instandhouding van mariene
ecosystemen tot een minimum te beperken binnen de zone van 12 zeemijl gerekend
vanaf zijn basislijnen, op voorwaarde dat er specifiek voor die zone geen
instandhoudings- en beheersmaatregelen zijn vastgesteld door de Gemeenschap. De
maatregelen van de lidstaat zijn verenigbaar met de in artikel 2 van de
Verordening omschreven doelstellingen en mogen niet minder strikt zijn dan de
bestaande communautaire regelgeving.
Indien door een lidstaat te nemen maatregelen mogelijk gevolgen hebben voor de
vaartuigen van een andere lidstaat, worden dergelijke maatregelen pas genomen
nadat met de Commissie, de betrokken lidstaat en de betrokken regionale
adviesraden overleg is gepleegd over een ontwerp van de maatregelen, vergezeld
van een toelichting.
Ingevolge het tweede lid gelden voor maatregelen die van toepassing zijn voor
vissersvaartuigen uit andere lidstaten, de bij artikel 8, derde tot en met zesde
lid, van de Verordening vastgestelde procedures.
Ingevolge artikel 8, derde lid, van de Verordening kunnen de lidstaten en de
betrokken regionale adviesraden hun schriftelijke opmerkingen bij de Commissie
indienen binnen vijf werkdagen na de datum van kennisgeving. Binnen vijftien
werkdagen na de datum van kennisgeving wordt de maatregel door de Commissie
bevestigd, ingetrokken of gewijzigd.
Ingevolge het vierde lid wordt van het besluit van de Commissie kennis gegeven
aan de betrokken lidstaten. Het besluit wordt bekendgemaakt in het
Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.
Ingevolge het vijfde lid kunnen de betrokken lidstaten het besluit van de
Commissie binnen tien werkdagen na de kennisgeving ervan voorleggen aan de Raad.
Ingevolge het zesde lid kan de Raad binnen één maand na de datum van ontvangst
van het schrijven waarbij een besluit aan hem is voorgelegd, met gekwalificeerde
meerderheid van stemmen een andersluidend besluit nemen.
2.12.19.5. De Afdeling overweegt, mede gelet op het voorgaande, allereerst dat
de beoogde instelling van een zeereservaat in dit geval als een maatregel als
bedoeld in artikel 9 van de Verordening dient te worden aangemerkt. De
instelling kan niet als een louter nationale maatregel worden gezien aangezien
deze niet alleen Nederlandse visexploitanten betreft.
Anders dan appellanten is de Afdeling van oordeel dat in de toepasselijkheid van
de Verordening in het algemeen en artikel 9 in het bijzonder geen grond is
gelegen voor het oordeel dat verweerder niet bevoegd moet worden geacht door het
nemen van een nader uit te werken concrete beleidsbeslissing te besluiten tot
het instellen van een zeereservaat. Wel is, mede bezien in het licht van artikel
6, vierde lid, van de Habitatrichtlijn, van belang dat de uitvoering voldoende
is verzekerd.
Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verweerder geen
toepassing heeft gegeven aan artikel 9 van de Verordening. Hij heeft niet bezien
en nader onderzocht of dit artikel in samenhang gelezen met artikel 8, derde tot
en met zesde lid, van de Verordening aan een mogelijke uitvoering van de
concrete beleidsbeslissing in de weg zou staan. Ter zitting heeft verweerder
aangegeven dat nog toepassing zal worden gegeven aan de Verordening op dit punt.
De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder reeds bij het
nemen van de concrete beleidsbeslissing voor het zeereservaat toepassing had
moeten geven aan de Verordening. De keuze van verweerder de procedure op een
later tijdstip te volgen betekent wel dat hij een voorziening moet hebben
getroffen die voorkomt dat aan de landaanwinning uitvoering wordt gegeven zonder
dat de uitvoering van de daarvoor vereiste compensatie in de vorm van het
zeereservaat is verzekerd.
In de pkb is als een beslissing van wezenlijk belang neergelegd dat besluiten
over de uitvoering van (fasen van) de landaanwinning vergezeld dienen te gaan
van een besluit over compenserende maatregelen en dat de compensatie gereed zal
zijn op het moment dat de effecten optreden. Naar het oordeel van de Afdeling is
met dit instrument niet voorzien in voldoende waarborgen dat de aanleg van de
landaanwinning (gefaseerd) wordt afgestemd op de verwezenlijking van het
zeereservaat. Aan een beslissing van wezenlijk belang is immers niet het in de
artikelen 2a en 39 van de WRO bedoelde rechtsgevolg verbonden dat deze door
(lagere) overheden in acht moet worden genomen. Om dit rechtsgevolg voor deze
project-pkb te bereiken had deze beslissing van wezenlijk belang in de vorm van
een concrete beleidsbeslissing moeten worden gegoten.
Verweerder heeft door dat niet te doen niet verzekerd dat voldoende compensatie
voor de gevolgen van de landaanwinning voor de algehele samenhang van Natura
2000 op de lange termijn wordt geboden. Aldus heeft hij gehandeld in strijd met
artikel 6, vierde lid, van de Habitatrichtlijn, en artikel 10 van het EG-Verdrag,
gelezen in samenhang met artikel 249 van dit verdrag, door de concrete
beleidsbeslissing inzake de landaanwinning en, gelet op de samenhang daarmee, de
concrete beleidsbeslissing inzake het zeereservaat te nemen. Gelet hierop
behoeven de overige bezwaren van appellanten tegen de concrete beleidsbeslissing
voor het zeereservaat geen verdere bespreking.
Gevolgen van de landaanwinning voor het achterland
Luchtkwaliteit
2.13. De Vereniging Verontruste Burgers heeft ter zitting aangevoerd dat de
concrete beleidsbeslissing inzake de aanleg van 1.000 hectare haven- en
industrieterrein tot een verslechtering van de luchtkwaliteit zal leiden.
Daarbij wijst zij op de ingevolge het Besluit luchtkwaliteit in acht te nemen
grenswaarden voor zwevende deeltjes (PM10).
De Afdeling overweegt dat appellante eerst ter zitting heeft gewezen op de
mogelijke verslechtering van de luchtkwaliteit. Zij acht dit in strijd met de
goede procesorde. Daarbij neemt zij in aanmerking dat niet is gebleken dat
appellante dit niet eerder in beroep had kunnen inbrengen. Het beroep van de
Vereniging Verontruste Burgers dient dan ook in zoverre buiten beschouwing te
blijven.
2.14. De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid “Shell Nederland
Raffinaderij B.V.” (hierna: Shell Nederland Raffinaderij) stelt in beroep dat
vanwege de concrete beleidsbeslissingen inzake de landaanwinning en de verlengde
demarcatielijn onduidelijkheid is ontstaan over de bruikbaarheid van haar
aanlegsteigers in de Vierde Petroleumhaven. In de toelichting bij het
deelproject Bestaand Rotterdams Gebied wordt volgens haar ten onrechte steiger
100 niet genoemd als essentieel voor de operationele activiteiten en ontsluiting
van haar terrein.
2.14.1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het niet noemen van steiger
100 op een verschrijving berust. Voor de door appellante uitgesproken vrees ziet
hij geen grond. De vrees kan bovendien niet worden aangemerkt als een gevolg van
de concrete beleidsbeslissingen; over de BRG-projecten zal nadere besluitvorming
met daarbij de mogelijkheden voor inspraak plaatsvinden, aldus verweerder.
2.14.2. In de pkb wordt als een van de projecten ten behoeve van het deelproject
Bestaand Rotterdams Gebied de optimalisatie van het ruimtegebruik van de aan het
Calandkanaal gelegen Vierde Petroleumhaven genoemd. Deze haven ligt op een
afstand van ongeveer acht kilometer tot de oostelijke begrenzing van het
zoekgebied voor de landaanwinning. Aan de westelijke zijde van de haven liggen
vier bij appellante in gebruik zijnde aanlegsteigers. Ten einde de
gebruikswaarde van het gebied te verhogen en nieuwe bedrijven te kunnen
accommoderen wordt onder meer gedacht aan demping van het oostelijke gedeelte
van de haven.
De Afdeling stelt vast dat in de door appellante genoemde concrete
beleidsbeslissingen niet wordt ingegaan op een mogelijke gedeeltelijke demping
van de Vierde Petroleumhaven. Voorts ligt deze haven niet in het zoekgebied voor
de landaanwinning en is niet aannemelijk dat de bereikbaarheid en de
bruikbaarheid van de steigers van appellante vanwege de landaanwinning zullen
verminderen.
Gevolgen voor de bereikbaarheid, het woon- en leefklimaat en
recreatievoorzieningen
2.15. De Vissersbond en andere achten de verwezenlijking van de landaanwinning
niet verzekerd gelet op de gevolgen ervan voor het achterland. Niet duidelijk is
hoe wordt voorzien in de bereikbaarheid per spoor en over de weg – de verbreding
van de A15 staat volgens hen niet vast - en evenmin zijn de negatieve gevolgen
voor de recreatiemogelijkheden in de omliggende gebieden bezien.
Het college van burgemeester en wethouders van Westvoorne, de Vereniging
Verontruste Burgers en Perpetuem Progress International wijzen op de nadelige
effecten van de landaanwinning voor Voorne. De landaanwinning zal meer
stankoverlast, stofhinder, lawaai van bedrijven en verkeer en een
landschappelijke verslechtering van de omgeving veroorzaken. Op dit punt heeft
een onvoldoende belangenafweging plaatsgevonden, aldus deze appellanten.
2.15.1. Verweerder wijst er op dat bij de voorbereiding van de besluitvorming
aandacht is geschonken aan de effecten van de landaanwinning op de
vervoersintensiteiten. In de bereikbaarheid over de weg worden geen grote
knelpunten verwacht, mede gelet op de capaciteitsvergroting van de A15. Ook de
railinfrastructuur is volgens hem berekend op de te verwachten intensiteiten.
Wat betreft de gevolgen voor de recreatie verwacht verweerder niet dat
onoverkomelijke problemen zullen ontstaan.
2.15.2. In het ten behoeve van het PMR gemaakte MER worden de huidige stand van
zaken alsmede de autonome ontwikkeling inzake de verkeerssituatie in en rondom
de haven van Rotterdam besproken. Daarnaast worden de resultaten weergegeven van
onderzoeken naar de effecten van de landaanwinning op de verkeersintensiteit.
Uit de onderzoeken blijkt dat - rekening houdend met de capaciteit zoals die in
2020 wordt verwacht – zich naar verwachting als gevolg van de landaanwinning
geen grote knelpunten zullen voordoen in de bereikbaarheid over de weg. Wel zal
zich op een aantal wegvakken een verslechtering van de verkeerssituatie
voordoen. Bij de beoordeling van de effecten is rekening gehouden met een
verbreding van de A15.
Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting is de Afdeling van oordeel
dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de
verhoging van de verkeersintensiteit op de weg vanwege de landaanwinning het
verkeersbeeld niet ernstig in negatieve zin zal beïnvloeden.
Wat betreft de bereikbaarheid per spoor overweegt de Afdeling dat uit het MER
blijkt dat hiernaar onderzoek is gedaan en dat in de verkeersafwikkeling over
het spoor zal kunnen worden voorzien.
2.15.3. Wat betreft de gevolgen van de landaanwinning voor de recreatieve
mogelijkheden in de omgeving overweegt de Afdeling dat deze mede aan de hand van
twee referentieontwerpen voor de landaanwinning in het MER zijn beschreven. De
landaanwinning heeft enerzijds tot gevolg dat recreatieve mogelijkheden
verdwijnen en leidt anderzijds tot nieuwe recreatieve mogelijkheden.
Uit het MER kan worden opgemaakt dat in geval van de referentieontwerpen als
gevolg van de landaanwinning in het gebied tussen de Slufter en Voorne
verondieping zal optreden als gevolg van zandaanvoer vanaf de eroderende
zuidelijke kust van de landaanwinning. Dit zal op termijn ook merkbaar worden
bij het westelijke strand van Voorne. Door deze verondieping zullen de
stroomsnelheden in het gebied afnemen en zal extra verslibbing optreden voor de
Brielse Gatdam en het strand van Oostvoorne. Bij het strand van Rockanje en van
Goeree zal geen extra verslibbing optreden volgens het MER.
De landaanwinning zal gevolgen hebben voor de afstanden tot en de bereikbaarheid
van de stranden. Niet is aannemelijk gemaakt dat dit structureel zal afdoen aan
de recreatieve mogelijkheden op Voorne.
De landaanwinning zal door de veranderingen in de bodemligging en het
golfklimaat voorts een verminderde saltspray (zoutneveldepositie) tot gevolg
hebben ter plaatse van de duinvegetaties van Oostvoorne en Goeree. Als gevolg
daarvan kunnen de natuurtypen in de duinen van Voorne en Goeree in de meest
ongunstige situatie plaats maken voor – wellicht minder gewaardeerd -
duinstruweel.
De gestelde aantasting van het uitzicht is met name afhankelijk van de
uiteindelijke keuze voor het inrichtingsontwerp. Gelet op de afstand en de
aanwezigheid van het bestaande haventerrein is niet aannemelijk dat het uitzicht
vanaf het strand op Voorne in hoge mate zal verslechteren.
Wat betreft de geurhinder blijkt uit het MER dat deze zich in de huidige
situatie reeds voordoet in het Rijnmondgebied. Van de bedrijvigheid op de
landaanwinning wordt geen structurele geurhinder verwacht. Niet onaannemelijk is
dat de geurhinder in lichte mate kan toenemen. Dit zal met name afhankelijk zijn
van het soort chemie dat zich op de landaanwinning zal vestigen. Ook stofhinder
zal met name worden bepaald door het type bedrijven dat zich op de
landaanwinning zal vestigen.
Over de geluidhinder overweegt de Afdeling dat uit het MER kan worden opgemaakt
dat alle vier parken van Perpetuem Progress International buiten de 50
dB(A)-contour van de bedrijven op de landaanwinning zullen liggen. Het
recreatiepark Kruininger Gors ligt in de autonome ontwikkeling van het gehele
Rijnmondgebied al binnen de 50 dB(A)-contour. Volgens het deskundigenbericht
verandert er door de landaanwinning niets wezenlijks in de geluidssituatie van
dit park. De andere drie parken liggen in de autonome ontwikkeling en bij
verwezenlijking van de landaanwinning buiten de 50 dB(A)-contour.
Wat betreft de stiltebeleving in het stiltegebied Voornes Duin blijkt uit het
MER dat zowel in de autonome ontwikkeling als in de situatie met een
landaanwinning de streefwaarde van 40 dB(A) voor de dagperiode als gevolg van
bedrijven zal worden overschreden. Deze geluidbelasting zal een negatieve
invloed hebben op de recreatieve beleving van het natuurgebied. Ook het weg- en
spoorwegverkeer zal een negatieve invloed hebben op de beleving van het gebied.
Niet uitgesloten moet worden dat met name voor het park Kruininger Gors van een
dalend aantal bezoekers dient te worden uitgegaan. De verslechtering van de
geluidbelasting is volgens het deskundigenbericht grotendeels toe te schrijven
aan de autonome ontwikkeling.
2.15.4. In de door appellanten op dit punt aangevoerde bezwaren ziet de Afdeling
geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid een
zwaarder gewicht heeft mogen toekennen aan de bij de landaanwinning betrokken
belangen.
Beroepsgronden tegen de concrete beleidsbeslissing inzake zandwinning
2.16. De Vissersbond en andere stellen in beroep dat, gelet op het Besluit
milieu-effectrapportage 1994 (hierna: Besluit m.e.r. 1994), ten onrechte geen
MER is gemaakt bij de aanwijzing van het zoekgebied voor de zandwinning. Zij
achten het onjuist dat het maken hiervan wordt doorgeschoven naar de
ontgrondingenvergunning. Volgens hen dient gekozen te worden voor een
milieu-effectrapportage (hierna: m.e.r.) voor een locatie. Ter zitting hebben
appellanten voorts gewezen op Richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en
de Raad van de Europese Unie van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de
gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s (Pb L 197; hierna:
SMB-richtlijn).
Verder achten appellanten het nemen van de concrete beleidsbeslissing
onzorgvuldig omdat vooraf niet is onderzocht en daarmee onduidelijk is welke
milieueffecten, waaronder de effecten op de visstand, de zandwinning zal hebben.
Zij achten de concrete beleidsbeslissing in strijd met het in het EG-Verdrag
neergelegde voorzorgsbeginsel.
2.16.1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de aanwijzing van de
begrenzing van het zoekgebied voor zandwinning geen besluit is ten aanzien
waarvan bij de voorbereiding een MER moet worden gemaakt.
Verder acht verweerder niet aannemelijk dat de – tijdelijke – effecten van de
zandwinning niet aanvaardbaar zullen zijn. Een gedetailleerd onderzoek is
volgens hem niet zinvol omdat de hoeveelheid te winnen zand afhankelijk is van
de nog te maken keuze voor de inrichting van de landaanwinning. Mocht blijken
dat zandwinning in delen van het zoekgebied significante negatieve effecten
heeft op beschermde habitats, beschermde soorten of Natura 2000, dan zullen deze
delen van zandwinning worden uitgesloten, aldus verweerder.
2.16.2. Ingevolge artikel 7.27, eerste lid, van de Wet milieubeheer (hierna: Wm)
neemt het bevoegd gezag een besluit bij de voorbereiding waarvan een MER moet
worden gemaakt niet dan nadat toepassing is gegeven aan de artikelen 7.12 tot en
met 7.26 van de Wm.
In artikel 7.2, eerste lid, van de Wm, gelezen in samenhang met artikel 2,
eerste lid, van het Besluit m.e.r. 1994, worden als activiteiten bij de
voorbereiding waarvan een MER moet worden gemaakt, aangewezen de activiteiten
die behoren tot een categorie die in onderdeel C van de bijlage is omschreven.
Voor zover thans van belang is in categorie 16.1 van onderdeel C van de bijlage
bepaald dat in geval van de winning van oppervlaktedelfstoffen een MER dient te
worden gemaakt in het kader van het besluit tot aanwijzing van een winplaats of
een aantal winplaatsen dan wel, bij het ontbreken daarvan, het besluit, bedoeld
in artikel 3 van de Ontgrondingenwet indien de winning betrekking heeft op een
winplaats van 100 hectare of meer of een aantal winplaatsen die tezamen 100
hectare of meer omvatten en die in elkaars nabijheid liggen. Indien het betreft
de winning van oppervlaktedelfstoffen op het continentaal plat gelden ingevolge
categorie 16.2 op overeenkomstige wijze normen van 500 hectare.
2.16.3. De Afdeling overweegt dat het zoekgebied voor de zandwinning een
oppervlakte van ongeveer 800 km2 beslaat en voor een aanzienlijk gedeelte is
geprojecteerd op gronden die liggen op het continentaal plat, buiten de
Nederlandse territoriale wateren (de 12 mijlszone). Nu de WRO niet uitdrukkelijk
op deze gronden van toepassing is verklaard, geldt deze wet hier niet. Dit
betekent dat verweerder niet bevoegd kan worden geacht ten aanzien van deze
gronden een concrete beleidsbeslissing te nemen. De concrete beleidsbeslissing
voor de zandwinning ontbeert, voor zover het betreft het gedeelte van het
zoekgebied dat is gelegen buiten de 12 mijlszone, een grondslag in de wet. Dit
betekent overigens niet dat verweerder niet bevoegd is buiten de 12 mijlszone
beleid te voeren en dit beleid zonder de kwalificatie concrete beleidsbeslissing
in een pkb op te nemen.
Hieruit volgt dat verweerder heeft gehandeld in strijd met artikel 2a, eerste
lid, van de WRO, gelezen in samenhang met artikel 39 van deze wet, door in de
pkb voor het gebied buiten de Nederlandse territoriale wateren een concrete
beleidsbeslissing te nemen. Dit betekent voorts dat een verplichting tot het
maken van een MER op grond van categorie 16.2 in het voorliggende kader reeds om
die reden niet aan de orde is.
2.16.4. Voor zover het betreft het zoekgebied gelegen binnen de Nederlandse
territoriale wateren overweegt de Afdeling over de toepassing van de categorie
16.1 dat in het kader van de vervolgbesluitvorming zal worden bezien op welke
concrete plaatsen en op welke wijze tot zandwinning zal worden overgegaan. Het
oppervlak van de zeebodem dat voor de zandwinning zal worden ontgrond, hangt
mede af van de ontgrondingsdiepte en het uiteindelijke ontwerp van de
landaanwinning. Volgens het deskundigenbericht dient afhankelijk van het
voorgaande uit te worden gegaan van een te ontgronden oppervlakte in de Noordzee
tussen 7 en 160 km2.
De omvang van het zoekgebied binnen de Nederlandse territoriale wateren is
beduidend groter dan het voorziene maximaal te ontgronden oppervlak. De
aanwijzing van het zoekgebied kan in dit verband niet worden aangemerkt als
aanwijzing van één of meerdere winplaatsen. Verweerder heeft zich dan ook
terecht op het standpunt gesteld dat uit het Besluit m.e.r. 1994 niet de
verplichting voortvloeit bij het nemen van de concrete beleidsbeslissing voor de
zandwinning een MER te maken.
2.16.5. Wat betreft het beroep op de SMB-richtlijn overweegt de Afdeling het
volgende.
De SMB-richtlijn is op 21 juli 2001 in werking getreden. Ingevolge artikel 1 van
de SMB-richtlijn heeft deze richtlijn ten doel te voorzien in een hoog
milieubeschermingsniveau en bij te dragen tot de integratie van
milieuoverwegingen in de voorbereiding en vaststelling van plannen en
programma's, met het oog op de bevordering van duurzame ontwikkeling, door
ervoor te zorgen dat bepaalde plannen en programma's die aanzienlijke effecten
op het milieu kunnen hebben overeenkomstig deze richtlijn aan een
milieubeoordeling worden onderworpen. De implementatietermijn van de richtlijn
is op 21 juli 2004 verstreken.
Daargelaten de vraag of een rechtstreeks beroep op de SMB-richtlijn kan worden
gedaan, overweegt de Afdeling dat de verplichting tot het uitvoeren van een
milieubeoordeling als bedoeld in de SMB-richtlijn ingevolge artikel 13, derde
lid, van de SMB-richtlijn van toepassing is op plannen en programma's waarvoor
de eerste formele voorbereidende handeling plaatsvindt na 21 juli 2004 dan wel
plannen en programma's waarvoor de eerste formele voorbereidende handeling vóór
deze datum plaatsvindt en die later dan 24 maanden na dat tijdstip worden
aangenomen of ingediend ten behoeve van wetgeving. Aangezien de pkb is
vastgesteld in 2003 kan de SMB-richtlijn reeds om die reden niet van toepassing
worden geacht, zodat hieruit geen verplichting voortvloeit een milieubeoordeling
uit te voeren.
2.16.6. Gelet op de stukken is thans niet met zekerheid te stellen welke
effecten de zandwinning in de Noordzee zal hebben op het ecologische systeem van
deze zee en daarmee ook op de visserij. Deze onduidelijkheid komt volgens het
deskundigenbericht voort uit een aantal elementen. De Noordzee is een complex
geheel van ecologische systemen. Er zijn lacunes in kennis, vooral in kennis van
virussen en microben. Ook de basiskennis van welke soorten waar, wanneer en
waarom voorkomen, ontbreekt grotendeels. De veelheid aan mogelijke oorzaken en
de grote variabiliteit, vooral op het niveau van het watersysteem, maken het
moeilijk een sluitend beeld te vormen over alle directe en indirecte
consequenties van menselijk handelen. Voorts bestaan langs de Noordzeekust van
noord naar zuid grote verschillen in ecologische en morfologische kenmerken
waardoor de effecten van een ontgronding ook verschillend zullen zijn. Verder
zijn de mogelijke effecten van grootschalige zandwinning op de aquatische
natuurwaarden afhankelijk van een aantal variabelen, zoals de precieze plaats,
de ontgravingsdiepte en de wijze van uitvoering.
De Afdeling is van oordeel dat verweerder zich in dit stadium van de
planontwikkeling in redelijkheid heeft kunnen beperken tot het aanwijzen van een
zoekgebied voor de zandwinning. Zij ziet, mede gelet op hetgeen het Hof in zijn
arrest van 7 september 2004, zaak C-127/02, heeft geoordeeld over de begrippen
"plan" en "project" in de Habitatrichtlijn, geen aanleiding de concrete
beleidsbeslissing inzake de zandwinning aan te merken als een plan of project
als bedoeld in artikel 6, derde lid, van voornoemde richtlijn aangezien deze
strategisch is gericht en onvoldoende is bepaald om te kunnen worden gezien als
een ingreep in natuurlijk milieu of landschap. De afweging of activiteiten
mogelijk worden gemaakt die schadelijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben,
zal plaatsvinden in het kader van de vervolgbesluitvorming. Daarbij heeft de
Afdeling betrokken dat voor de precieze winplaats(en) een MER gemaakt moet
worden en dat delen van het zoekgebied worden uitgesloten van zandwinning als
uit het MER blijkt dat de zandwinning in deze deelgebieden significante
negatieve effecten kan hebben op beschermde habitats en/of beschermde soorten
en/of op Natura 2000 gebieden. De Afdeling verstaat de concrete
beleidsbeslissing op dit punt aldus dat hieronder ook mogelijke effecten voor de
Waddenzee worden begrepen. Zij ziet, gelet op het voorgaande, geen aanleiding
voor het oordeel dat het voorzorgsbeginsel, zoals neergelegd in artikel 174 van
het EG-Verdrag, aan het nemen van de concrete beleidsbeslissing voor de
zandwinning in de weg staat.
Evenmin acht zij, mede gelet op de omvang van het zoekgebied en de toe te passen
winningstechnieken en ondanks het hiervoor vermelde grote aantal onzekere
factoren, aannemelijk gemaakt dat de concrete beleidsbeslissing niet uitvoerbaar
moet worden geacht om de reden dat het niet mogelijk is binnen het zoekgebied de
benodigde hoeveelheid zand te winnen zonder dat dit overeenkomstig de tekst van
de concrete beleidsbeslissing leidt tot significante negatieve effecten op
beschermde habitats en/of beschermde soorten en/of op Natura 2000 gebieden.
Schadevergoedingsregeling
2.17. De Vissersbond en andere stellen voorts dat ten onrechte niet is voorzien
in een bijzondere schadevergoedingsregeling voor de schade die zij ten gevolge
van het deelproject Landaanwinning, gelet op hun belangen in of bij de visserij,
zullen lijden. Zij wijzen in dat verband in het bijzonder op de gevolgen voor
het vislarventransport die zich over een groot gebied kunnen uitstrekken en ten
aanzien waarvan het causale schadeverband moeilijk zal zijn aan te tonen. De
Regeling Nadeelcompensatie Verkeer en Waterstaat achten zij in dit verband
onvoldoende toegesneden. Een bijzondere regeling is door de Minister van Verkeer
en Waterstaat toegezegd, aldus appellanten.
2.17.1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat bij de uitwerking van de pkb
duidelijkheid zal ontstaan over te verwerven eigendommen en andere
schadeaspecten. De concrete beleidsbeslissingen op zichzelf zijn volgens hem nog
niet te beschouwen als schadeveroorzakende besluiten. Met de bestaande
schadevergoedingsregelingen kan volgens hem op aanvaardbare wijze tegemoet
worden gekomen aan de belangen van degenen die schade ondervinden van
PMR-projecten. In overleg met het Productschap Vis wordt bezien of in de
Regeling Nadeelcompensatie Verkeer en Waterstaat modificaties moeten worden
aangebracht met het oog op de bijzondere positie van de visserijsector, aldus
verweerder.
2.17.2. De Afdeling stelt voorop dat de Minister van Verkeer en Waterstaat in
haar brief van 11 november 1999 heeft aangegeven dat bij aanleg van de Tweede
Maasvlakte een compensatieregeling zal worden vastgesteld, die zowel de
planschade als de bestuurscompensatie omvat en dat ook de visserij hieronder zal
vallen.
De Afdeling stelt vast dat een bijzondere regeling niet is getroffen. Uit de pkb
blijkt dat, afgezien van de Onteigeningswet, bij het vergoeden van schade wordt
gedacht aan de WRO, de Ontgrondingenwet, de Natuurbeschermingswet, de Regeling
Nadeelcompensatie Verkeer en Waterstaat en de Nadeelcompensatieregeling
verleggen kabels en leidingen in en buiten rijkswaterstaatswerken en
spoorwegwerken.
Naar het oordeel van de Afdeling bestond voor verweerder geen reden op voorhand
aan te nemen dat niet op een aanvaardbare wijze tegemoet kan worden gekomen aan
de belangen van hen die schade lijden als gevolg van de concrete
beleidsbeslissingen inzake het deelproject Landaanwinning. In dit verband is
niet aannemelijk gemaakt dat een bijzondere, op de situatie van de
visserijsector toegesneden schaderegeling uitgesloten moet worden geacht.
Uitvoerbaarheid van het deelproject Landaanwinning
2.18. De Vissersbond en andere stellen verder dat naar de economische
haalbaarheid van het deelproject Landaanwinning onvoldoende onderzoek is gedaan.
Niet is gebleken dat van overheidswege voldoende middelen beschikbaar worden
gesteld, aldus appellanten.
2.18.1. Verweerder stelt dat uit een kosten-batenanalyse blijkt dat de aanleg
van de landaanwinning batig is indien wordt voldaan aan de voorwaarden als
fasering en tijdige aanleg naar marktvraag. Over het uiteindelijk te kiezen
financieringsarrangement zal tussen de “trekkers” van de verschillende
deelprojecten overleg plaatsvinden.
2.18.2. Uit de stukken blijkt dat voor het deelproject Landaanwinning een
kosten-batenanalyse is gemaakt. Uit deze analyse kan worden afgeleid dat het
project batig is indien aan een aantal voorwaarden zal worden voldaan.
Uit de stukken blijkt voorts dat ten tijde van het vaststellen van de pkb nog
geen definitief besluit over de financiering was genomen. Wel was op dat moment
een zogenoemd Memorandum van Overeenstemming opgesteld. Op 1 maart 2002 is dit
convenant door de Minister van Verkeer en Waterstaat, de Minister van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, de Minister van
Financiën en de Minister van Economische Zaken, alsmede de Staatssecretaris van
Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, de voorzitter van de stadsregio Rotterdam en
de gedeputeerde voor het Rijnmondgebied van de provincie Zuid-Holland
ondertekend. Uit dit convenant blijkt dat de betrokken partners zich inspannen
om dekking voor hun bijdragen te vinden, waarbij de financiële samenhang tussen
de deelprojecten van het PMR gewaarborgd dient te zijn.
Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt
kunnen stellen dat in de financiering van het deelproject Landaanwinning zou
worden voorzien. Overigens is ter zitting gebleken dat een bestuursakkoord over
de financiering en uitvoering van het PMR is bereikt.
Conclusie over de beroepen tegen de concrete beleidsbeslissingen ten aanzien van
het deelproject Landaanwinning
2.19. Uit al het voorgaande volgt dat het beroep van de Vissersbond en andere
gegrond is, zodat het bestreden besluit voor zover het betreft de concrete
beleidsbeslissingen inzake de landaanwinning, het zeereservaat en de
zandwinning, dient te worden vernietigd. Gezien de samenhang van deze concrete
beleidsbeslissingen met de concrete beleidsbeslissingen inzake de
demarcatielijn, de nieuwe duinen met strand voor de Delflandse kust en de nieuwe
zeereep ziet de Afdeling aanleiding het bestreden besluit ook voor zover het
deze concrete beleidsbeslissingen betreft, te vernietigen.
Nu het bestreden besluit, voor zover het betreft de concrete beleidsbeslissing
inzake de landaanwinning, wordt vernietigd, zijn de beroepen van de Vereniging
Verontruste Burgers, het college van burgemeester en wethouders van Westvoorne,
Shell Nederland Raffinaderij en Perpetuem Progress International ten aanzien van
deze concrete beleidsbeslissing eveneens gegrond, ondanks het feit dat in
hetgeen zij hebben aangevoerd geen grond voor vernietiging voor zover het deze
concrete beleidsbeslissing betreft, is gelegen.
Uit het voorgaande volgt voorts dat het beroep van Perpetuem Progress
International, voor zover dit is gericht tegen de concrete beleidsbeslissingen
inzake de nieuwe duinen met strand voor de Delflandse kust en de nieuwe zeereep,
en het beroep van Shell Nederland Raffinaderij, voor zover dit is gericht tegen
de concrete beleidsbeslissing inzake de demarcatielijn, eveneens gegrond zijn
ondanks het feit dat in hetgeen zij hebben aangevoerd geen grond voor
vernietiging voor zover het deze concrete beleidsbeslissingen betreft, is
gelegen.
De beroepen tegen de concrete beleidsbeslissingen ten aanzien van het
deelproject 750 hectare nieuw natuur- en recreatiegebied
Het beroep van Perpetuem Progress International voor het overige
2.20. Perpetuem Progress International stelt in beroep voorts dat verweerder
onvoldoende rekening heeft gehouden met de gevolgen van de aanleg van 750
hectare nieuw natuur- en recreatiegebied in de regio Rijnmond voor de
toeristisch-recreatieve bedrijvigheid op Voorne. Zij vreest door de toenemende
concurrentie schade te zullen lijden.
2.20.1. Verweerder stelt dat aan de recreatieve belangen niet is voorbijgegaan.
2.20.2. De streek waar Perpetuem Progress International vier vakantieparken
exploiteert, wordt gekenmerkt door strand, zee en duinen. Er vindt hier veel
verblijfsrecreatie plaats.
De nieuw in te richten natuur- en recreatiegebieden ten zuiden en ten noorden
van Rotterdam zullen met name geschikt zijn voor dagrecreatie, zoals wandelen,
fietsen, paardrijden en ongemotoriseerd varen en zullen voorzieningen bieden
zoals speel-, lig- en picknickweiden en een bezoekerscentrum.
Gelet hierop en gezien het deskundigenbericht moet het ervoor worden gehouden
dat op Voorne, en in het bijzonder in de vakantieparken van appellante, sprake
is van een andere vorm van recreatie dan in de beoogde nieuwe natuur- en
recreatiegebieden. Verweerder heeft zich derhalve in redelijkheid op het
standpunt kunnen stellen dat niet aannemelijk is dat Perpetuem Progress
International zodanige schade zal lijden, dat de concrete beleidsbeslissingen
ten aanzien van 750 hectare nieuw natuur- en recreatiegebied reeds hierom niet
hadden kunnen worden genomen.
De beroepsgronden gericht tegen de beperking van de zoekruimte
2.21. De stichting “Stichting Natuur- en Milieuwacht” (hierna: stichting Natuur-
en Milieuwacht) en de vereniging “Vereniging voor Natuur- en Milieubescherming
Noordrand Rotterdam” (hierna: vereniging Natuur- en Milieubescherming) stellen
in beroep onder meer dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met de
cultuurhistorische en landschappelijke waarden van de Schiezone en de
Schiebroekse- en de Zuidpolder. [appellante sub 5] en [appellante sub 6] en
anderen stellen in beroep onder meer hetzelfde ten aanzien van
Midden-IJsselmonde. Volgens hen had nadrukkelijker moeten worden onderzocht of
een minder intensieve herinrichting van deze gebieden met behoud van het
bestaande agrarische gebruik mogelijk is.
2.21.1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat een meer extensieve
inrichting de beoogde kwaliteitsverbetering niet kan bewerkstelligen, onder meer
omdat op die manier niet kan worden voorzien in de groeiende recreatiebehoefte
en de gebieden alsnog zullen bezwijken onder de verstedelijkingsdruk. Hij
verwacht dat de behoefte aan recreatiegebieden rond het stedelijke gebied in de
toekomst zal toenemen.
2.21.2. In de pkb is er voor gekozen de 750 hectare zoveel mogelijk als een
compacte eenheid aan te leggen. Alternatieven die voorzien in verbetering van de
leefbaarheid van de regio door versterking van de recreatieve
medegebruiksfunctie van de agrarische omgeving, door bijvoorbeeld het versterken
van recreatieve fiets- en wandelroutes, een groene aankleding van het landschap
en het vestigen van recreatieve (routegerelateerde) steunpunten (een zogeheten
verspreide impuls), heeft verweerder in de m.e.r. niet nader onderzocht.
Ingevolge artikel 7.10, eerste lid, onder b, van de Wm bevat een
milieu-effectrapport onder meer een beschrijving van de voorgenomen activiteit
en van de wijze waarop zij zal worden uitgevoerd, alsmede van de alternatieven
daarvoor, die redelijkerwijs in beschouwing dienen te worden genomen, en de
motivering van de keuze voor de in beschouwing genomen alternatieven. Blijkens
het MER zijn alternatieven die voorzien in een verspreide impuls niet nader
onderzocht, omdat:
”▪ de bijdrage van verspreide impuls aan de natuurdoelstelling van het project
zou beperkt zijn, omdat de bijdrage aan de natuurwaarden sterk toeneemt met de
toename van aaneengesloten oppervlak […];
▪ een verspreide impuls zou zich in hoge mate richten op routegebonden
recreatie; de ‘opnamecapaciteit’ is daardoor kleiner dan bij een […]
aaneengesloten areaal natuur- en recreatiegebied […];
▪ een verspreide impuls kan naar verwachting geen of geringe meerwaarde hebben
voor duurzaam waterbeheer;
▪ de agrarische functie in het gebied waar de verspreide impuls plaatsvindt zal
verder onder druk komen te staan en beperkingen krijgen opgelegd […];
▪ de ‘robuustheid’ van verspreide impuls tegen een eventuele toekomstige
functiewijziging naar een rode functie […] is relatief klein […];
▪ leidt tot een moeilijk te realiseren en te beheren plan, vanwege de
onduidelijke begrenzing en structuur.”.
In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor
het standpunt dat deze overwegingen berusten op onjuiste of onredelijke aannames
of anderszins onjuist zijn. In het bijzonder heeft verweerder uit de
omstandigheid dat het gebied tot dusverre niet is bezweken onder de
verstedelijkingsdruk in redelijkheid niet behoeven te concluderen, zoals
appellanten doen, dat dit in de toekomst niet zou kunnen veranderen. Bovendien
is de hoofddoelstelling van het deelproject niet zozeer gericht op het tegengaan
van verstedelijking, maar op het verbeteren van de kwaliteit van de leefomgeving
in Rijnmond.
Voorts neemt de Afdeling in aanmerking dat in de concrete beleidsbeslissing voor
Midden-IJsselmonde expliciet is opgenomen dat de bestaande cultuurhistorische
elementen zoveel mogelijk behouden blijven en dat de pkb ten aanzien van de
concrete beleidsbeslissing voor de Schiezone en de Schiebroekse- en de
Zuidpolder de beleidsuitspraak bevat dat de bestaande waardevolle
cultuurhistorische elementen, zoals bijvoorbeeld de rand van de droogmakerij,
dienen te worden gerespecteerd.
Uit het MER blijkt in dit verband nog dat het plangebied Midden-IJsselmonde
wordt gekenmerkt door openheid, maar dat de openheid van de Schiezone en de
Schiebroekse- en de Zuidpolder in vergelijking met het omliggende gebied klein
is. Voorts zijn in de plangebieden nauwelijks waardevolle
historisch-geografische en -bouwkundige structuren, patronen en gebieden
aanwezig. In het MER is tevens overwogen dat in gebieden met extensieve
recreatie en in verbindingszones rekening wordt gehouden met de landschappelijke
identiteit en wordt aangesloten op landschappelijke structuren. Voorts zijn daar
mogelijkheden om de gebieden met een hoge of middelhoge verwachtingswaarde te
behouden, evenals de geomorfologisch waardevolle patronen en elementen.
Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat de nadelige gevolgen voor de
karakteristieke kenmerken van de plangebieden niet in voldoende mate kunnen
worden beperkt.
Gelet op het vorenstaande heeft verweerder in redelijkheid de zoekruimte naar de
verschillende manieren waarop het nieuwe natuur- en recreatiegebied kan worden
vormgegeven in zoverre kunnen beperken, dat varianten die voorzien in een
verspreide impuls buiten beschouwing zijn gelaten.
De beroepsgronden gericht tegen de gevolgen voor en de inrichting van de
Schiezone en de Schiebroekse- en Zuidpolder
2.22. De stichting Natuur- en Milieuwacht en de vereniging Natuur- en
Milieubescherming stellen in beroep voorts dat door de talrijke barrières de
transformatie van de Schiezone en de Schiebroekse- en de Zuidpolder niet kan
bijdragen aan de ecologische hoofdstructuur. De stichting Natuur- en Milieuwacht
vreest bovendien dat de ontwikkeling van wilde natuur in de Schiebroekse- en de
Zuidpolder een bedreiging vormt voor zowel de volksgezondheid als de land- en
tuinbouw en dat de leefgebieden van belangrijke weidevogels zullen verdwijnen.
Ten slotte zal volgens haar onvoldoende ruimte overblijven voor de opvang van
water.
2.22.1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat ondanks de barrières een
samenhangend netwerk van gebieden kan worden gerealiseerd. De effecten op
weidevogels zijn volgens hem beperkt en ook de leefkwaliteit en veiligheid van
mens en dier zullen door de aanleg van natuur niet worden aangetast.
2.22.2. Het deelproject 750 hectare nieuw natuur- en recreatiegebied beoogt mede
de bestaande ecologische structuren van de Rotterdamse regio te versterken.
Blijkens het SGR is het de bedoeling een samenhangend netwerk van kerngebieden,
natuurontwikkelingsgebieden en verbindingszones te realiseren. Volgens de pkb
zijn de Schiezone en de Schiebroekse- en de Zuidpolder belangrijke, maar
kwalitatief en kwantitatief nog onvoldoende sterke schakels in de ecologische en
recreatieve verbindingen. Als beslissing van wezenlijk belang is in de pkb
opgenomen dat de Schiezone zal worden ingericht als recreatief uitloopgebied en
als recreatieve verbinding tussen het stedelijke gebied en de Groenblauwe
Slinger. Voorts is als beslissing van wezenlijk belang opgenomen dat de
Schiebroekse- en de Zuidpolder zullen worden ingericht als recreatief
uitloopgebied en als ecologische verbindingszone tussen de Groenblauwe Slinger
en het Rottemerengebied, waarbij de infrastructurele barrières zullen worden
ingepast.
In het MER is nagegaan of aaneengesloten groen- en natuurgebieden kunnen worden
gerealiseerd. In het deskundigenbericht is gesteld dat uit het MER kan worden
afgeleid dat versterking van de natuur ondanks de aanwezige barrières niet
onmogelijk is. Daarbij is van belang geacht dat in het tracé voor de Hoge
Snelheidslijn, dat het gebied doorsnijdt, enkele viaducten zijn opgenomen die
onder andere zijn bedoeld voor de doorloop van de ecologische zone, dat in het
toekomstige tracé van de N470, dat het gebied eveneens zal doorsnijden, een
eco-duiker met een breedte van zes meter is opgenomen, die de ecologische zones
het Oude Leedegebied en de Rottemeren met elkaar verbindt, en dat de
Rodenrijseweg en de Rodenrijsche Vaart, die aan de noordrand buiten het
plangebied liggen, door middel van een tunnel worden gekruist. Ten slotte sluit
het gebied aan op de geplande ecologische verbindingszone die deel uitmaakt van
de Provinciale Ecologische Hoofdstructuur. Niet is gebleken dat dit standpunt
onjuist is.
Gelet hierop heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen
stellen dat de ontwikkeling tot natuur- en recreatiegebied van de Schiezone en
de Schiebroekse- en de Zuidpolder kan bijdragen aan de ecologische
hoofdstructuur.
2.22.2.1. De stichting Natuur- en Milieuwacht heeft haar stelling dat de
ontwikkeling van nieuwe natuur en recreatie vanwege virussen, bacteriën,
smetstoffen, onkruidzaden en ongedierte een bedreiging oplevert van welzijn,
leefkwaliteit en veiligheid van de bewoners en bedrijvigheid niet aannemelijk
gemaakt. Het MER geeft geen aanleiding om te veronderstellen dat dergelijke
negatieve effecten zullen optreden. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt
dat het MER op dit punt zodanige gebreken of leemten in kennis vertoont dat
verweerder zich hierop bij het nemen van zijn besluit niet had mogen baseren. In
zoverre appellante vreest dat deze gevaren zich voordoen omdat het nieuwe
natuurgebied niet goed zal worden beheerd, overweegt de Afdeling dat over
financiering, uitvoering en het beheer afspraken zullen worden gemaakt.
Gelet hierop heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen
stellen dat de ontwikkeling tot natuur- en recreatiegebied van de Schiebroekse-
en de Zuidpolder niet de gevolgen heeft die appellante vreest.
2.22.2.2. De Schiebroekse- en de Zuidpolder zijn niet aangewezen als SBZ als
bedoeld in artikel 4, eerste en tweede lid, van de Vogelrichtlijn. Blijkens het
MER behoren de polders evenmin tot de vrij goede tot zeer goede
weidevogelgebieden in Zuid-Holland. Blijkens het MER hebben de Schiebroekse- en
de Zuidpolder echter wel een belangrijke functie voor weidevogels en zullen deze
door natuurontwikkeling minder aantrekkelijk worden voor deze vogelsoorten. In
het MER is daarom onderzocht in hoeverre het leefgebied van vogelsoorten uit
Bijlage I bij de Vogelrichtlijn wordt beïnvloed. Gebleken is dat voor deze
soorten naar verwachting geen leefgebied verloren gaat. Appellante heeft niet
aannemelijk gemaakt dat het MER zodanige gebreken of leemten in kennis vertoont
dat verweerder zich hierop bij het nemen van zijn besluit niet heeft mogen
baseren.
Gelet op het bovenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt
kunnen stellen dat de nadelige effecten van de ontwikkeling tot natuur- en
recreatiegebied van de Schiebroekse- en de Zuidpolder voor weidevogels slechts
zeer beperkt zijn. In hetgeen de vereniging Natuur- en Milieubescherming ter
zitting nog naar voren heeft gebracht, ziet de Afdeling voorts geen aanleiding
voor het oordeel dat een ontheffing op grond van de Flora- en faunawet niet zal
kunnen worden verleend dan wel dat de concrete beleidsbeslissing zonder daarbij
te handelen in strijd met het bepaalde in de Flora- en faunawet op dit punt niet
uitvoerbaar moet worden geacht.
2.22.2.3. Ten aanzien van de vrees van de vereniging Natuur- en
Milieubescherming, dat de Schiezone zal worden ontwikkeld tot landschap voor
bedrijvenvilla’s in het groen, overweegt de Afdeling dat dit, nog afgezien van
de vraag of de desbetreffende concrete beleidsbeslissing dit toelaat, gelet op
de doelstelling daarvan niet aannemelijk is. Evenmin is aannemelijk dat de
Schiebroeksepolder zal dienen als overloopgebied van uit te plaatsen
volkstuinen, nu blijkens de tekst van de pkb de volkstuinen geen onderdeel
uitmaken van de 100 hectare die in de Schiebroekse- en de Zuidpolder ruimtelijk
is gereserveerd als onderdeel van de 750 hectare.
2.22.2.4. In het kader van de milieu-effectrapportage is onder meer onderzoek
verricht naar de mogelijkheden om een positieve impuls te geven aan een duurzaam
waterbeheer. Daarbij is beoordeeld of de ontwikkeling van nieuwe natuur in de
Schiebroekse- en de Zuidpolder leidt tot een afname van de bestaande ruimte voor
water. Uit het MER blijkt dat de inrichting van deze polders een neutraal effect
heeft op de afvoer en bergingsmogelijkheid voor wateroverschotten. Voor het
gehele nieuw in te richten natuur- en recreatiegebied wordt ruimschoots voldaan
aan de provinciale norm van 10% open water in nieuwe gebieden, zodat voldoende
ruimte beschikbaar is voor het bergen van overtollig water. De stichting Natuur-
en Milieuwacht heeft niet aannemelijk gemaakt dat het MER zodanige gebreken of
leemten in kennis vertoont dat verweerder zich hierop bij het nemen van zijn
besluit niet had mogen baseren. Bij de uitwerking van de plannen zullen de
waterbeheerders worden betrokken. Gelet hierop heeft verweerder de gevolgen voor
de waterberging voldoende in de besluitvorming betrokken.
De beroepsgronden gericht tegen de gevolgen voor bedrijven in
Midden-IJsselmonde, de Schiezone en de Schiebroekse- en Zuidpolder
2.23. [appellante sub 2], de vereniging “Westelijke Land- en Tuinbouw
Organisatie” (hierna: de WLTO), [appellante sub 5] en [appellanten sub 6]
stellen in beroep dat onvoldoende rekening is gehouden met de nadelige gevolgen
van natuur- en recreatieontwikkeling voor bestaande (agrarische) bedrijven in
Midden-IJsselmonde, de Schiezone en de Schiebroekse- en de Zuidpolder. Zij
achten het niet aanvaardbaar dat pas bij de verdere uitwerking duidelijk wordt
of en in hoeverre bestaande bedrijven hun activiteiten kunnen voortzetten.
[appellante sub 2] betwijfelt voorts of de concrete beleidsbeslissing ten
aanzien van de Schiezone en de Schiebroekse- en de Zuidpolder wel als zodanig
kan worden aangemerkt, omdat deze volgens haar onvoldoende is afgewogen.
2.23.1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de concrete
beleidsbeslissingen slechts ruimtelijke ontwikkelingen beogen mogelijk te maken,
die in het projectenspoor nader tot in detail worden uitgewerkt. In dat kader
zal een goede inpassing van bedrijvigheid moeten worden gevonden, aldus
verweerder.
2.23.2. Voor de reikwijdte van haar toetsing van deze concrete
beleidsbeslissingen verwijst de Afdeling naar hetgeen zij reeds heeft overwogen
onder 2.4.. Hieruit volgt dat, naar mate een concrete beleidsbeslissing minder
ruimte laat voor de bestemmingsplanwetgever, daaraan met betrekking tot de
voorbereiding, de motivering en de belangenafweging stringentere eisen moeten
worden gesteld.
Daarnaast dient een concrete beleidsbeslissing voldoende rechtszeker te zijn. De
Afdeling begrijpt het beroep van [appellante sub 2], dat de concrete
beleidsbeslissing ten aanzien van de Schiezone en de Schiebroekse- en de
Zuidpolder niet als zodanig kan worden aangemerkt, aldus, dat zij deze
onvoldoende rechtszeker acht om bij nadere besluitvorming in acht te kunnen
worden genomen.
2.23.2.1. De Afdeling stelt vast dat de concrete beleidsbeslissingen voorzien in
een ruimtelijke reservering van gebieden die zullen worden getransformeerd in
een openbaar toegankelijk natuur- en recreatiegebied. Op kaarten met een schaal
van 1:50.000 is de begrenzing van deze gebieden aangegeven. Alhoewel de precieze
inrichting van de gebieden nog niet vaststaat, bevatten de concrete
beleidsbeslissingen een duidelijke keuze voor de toekomstige functie van precies
afgebakende gebieden. De nieuwe functie is met de concrete beleidsbeslissingen
gegeven en de Afdeling acht de concrete beleidsbeslissingen gelet hierop dan ook
voldoende rechtszeker.
2.23.2.2. Blijkens het deskundigenbericht worden de gebieden thans voornamelijk
agrarisch gebruikt. [appellante sub 2] exploiteert aan de rand van de
Schiebroeksepolder een glastuinbouwbedrijf. [appellante sub 5] verpacht in
Midden-IJsselmonde gronden met een oppervlakte van ongeveer 55 hectare aan
enkele agrariërs. [appellante sub 6] exploiteert een aannemingsbedrijf in
Midden-IJsselmonde. Verweerder heeft zich echter niet uitgesproken over de
gevolgen van de concrete beleidsbeslissingen voor deze en andere bestaande
(agrarische) bedrijven in deze gebieden. Ten aanzien van Midden-IJsselmonde
vermeldt de toelichting bij de desbetreffende concrete beleidsbeslissing slechts
dat de aanwezige agrarische bedrijven niet op de huidige leest kunnen worden
voortgezet. In het deskundigenbericht is ten aanzien van Midden-IJsselmonde
gesteld dat dit als agrarisch gebied fors aan betekenis inboet. Ten aanzien van
de Schiezone en de Schiebroekse- en de Zuidpolder vermeldt de toelichting bij de
desbetreffende concrete beleidsbeslissing slechts dat er onvoldoende perspectief
is voor het duurzaam voortbestaan van de veehouderij. In het MER is voorts
geconcludeerd dat het de vraag is of de agrarische functie in de Schiezone en de
Schiebroekse- en de Zuidpolder kan worden behouden, zelfs als de bedrijfsvoering
wordt aangepast aan het gewenste natuurbeheer en/of recreatief medegebruik.
Ten aanzien van de specifieke belangen van appellanten is in het
deskundigenbericht voorts onder meer gesteld dat het niet onaannemelijk is dat
de gebruiksmogelijkheden van gronden van [appellanten sub 6] worden beperkt, dat
het toekomstperspectief van de pachters van de gronden van [appellante sub 5]
niet rooskleurig is en dat het afhankelijk is van de precieze inrichting of
[appellante sub 2] haar bedrijf zal kunnen voortzetten.
Gelet hierop kunnen de begrenzing van de concrete beleidsbeslissingen en de
transformatie naar natuur- en recreatiegebied grote gevolgen hebben voor de
betrokken bedrijven. Van enig onderzoek in dat verband, of van een afweging van
de belangen van de betrokken bedrijven, is evenwel niet gebleken. Ter zitting is
gebleken dat verweerder niet heeft onderzocht welke bedrijven zich in de
desbetreffende gebieden bevinden. Volgens hem zullen de mogelijke gevolgen voor
de betrokken bedrijven moeten worden bezien in het projectenspoor. Naar het
oordeel van de Afdeling miskent verweerder hiermee evenwel de plaats en de
functie van een concrete beleidsbeslissing in het stelsel van de WRO. In de in
geding zijnde concrete beleidsbeslissingen is een duidelijke planologische keuze
vervat met betrekking tot de toekomstige functie van de betrokken gebieden als
openbaar toegankelijk natuur- en recreatiegebied en de begrenzing daarvan, die
bij de vaststelling van het bestemmingsplan en andere besluitvorming in acht
genomen dient te worden. Het betreft in dit geval geen zoekgebie